Mijn 5 redenen om mijn kind niet op sociale media te delen

privacy.jpg

Weet je nog, je eerste sollicitatie? Groen achter je oren, ergens begin de 20, in een net iets te wijd pak, en zoooo nerveus!

Je stapt binnen, probeert een niet te klam polleke te geven, zet je neer, en haalt je documenten boven. Een paar mooie kopietjes, in een plastic mapje. Eerst gaan ze door je CV, vragen ze wat over je opleiding, je ervaring. Dan slaan ze je babyfotoalbum open. Jij in bad, jij op het potje, jij op de fiets, toen je ma je haar had geknipt en dat niet bepaald recht was… allemaal mooi bijgehouden door je mama, voorzien van kleurige commentaren, over een schattige bijnaam na een accidentje in de kleuterklas.

De interviewer fronst even de wenkbrauwen, en gaat laconiek verder. ‘Zo Mevrouw Poepiedrollie… waarom moet u onze leraar/dokter/advocaat/… worden?

 

Te gek? Te raar? Ongepast? Too much information?

Het is anders precies waar onze kinderen over enkele jaren mee geconfronteerd zullen worden. Hun hele jeugd ligt voor het grijpen op het internet. Door ons, de ouders met de camera, op zoek naar een paar ‘likes’.

Er is wat controverse over, over het al dan niet ‘delen’ van je kind op sociale media.

Toen ik begon te bloggen, heb ik hier eigenlijk eerder mijn gevoel in gevolgd, om zoonlief niet bij naam te noemen – ook al was de blog vooral voor vrienden en familie.

Hoe meer ik erover las, en hoe meer sociale mediakanalen erbij kwamen (Instagram, twitter, …), hoe meer ik van deze keuze om hem niet herkenbaar in beeld te brengen- en in een verlengde daarvan mezelf ook niet – overtuigd raakte.

En omdat ik recent de vraag kreeg, ben ik even verder gaan denken.

Mijn 5 redenen om mijn kind niet herkenbaar weer te geven op sociale media:

  1. Het internet is voor altijd

Deze lijkt zo logisch, maar staan we voldoende stil bij de gevolgen? Het voorbeeld dat ik hierboven aanhaalde, is natuurlijk hilarisch, maar het ligt volgens mij niet ver van de waarheid. Het is nu al een feit dat werkgevers sollicitanten googlen. Wat wil je dat ze tegen komen over je kinderen?

Ja, we moeten eerlijk zijn. Ja, het heeft waarde om het leven ‘zoals het is’ weer te geven op sociale media. (Eerlijk: ik zie ook liever een schattig babysnoetje op Facebook dan de achterkant van een hoofd).

Maar op een sollicitatie zet iedereen graag zijn beste beentje voor. En als de werkgever net grappige/beschamende/zotte foto’s heeft zien passeren, dan geeft dat toch een bepaald beeld, nog voor je de kamer bent binnengestapt.

 

Ik besef heel goed dat de jeugd tegenwoordig zelf bijdraagt tot die hoop zotte foto’s op het internet. Ook – of vooral – de digital natives van vandaag hebben begeleiding nodig over het blootgeven (soms letterlijk) van jezelf op het internet. Daar is iedereen het wel over eens, denk ik.

Maar als wij onze kinderen willen aanleren dat je moet nadenken over wat je post, moeten wij daar zelf dan niet het goeie voorbeeld in geven?

 

  1. Je kind kan dit niet fijn vinden – nu of in de toekomst

Kinderen kennen vanaf een jaar of zes gevoelens van schaamte. Natuurlijk geldt dat dan ook voor alle foto’s die we op internet hebben gezwierd nog voor ze die leeftijd of gevoelens hadden.

Het is tof dat we rekening houden met de wensen van ons kind (‘hij vroeg me die foto niet te plaatsen, dus ik heb dit niet gedaan’), van zodra ze dit kunnen uiten, maar zouden we dan niet beter anticiperen op de mogelijke bezwaren? Want zoals ik al aanhaalde in nr. 1: het internet is voor altijd.

 

En als een werkgever dit kan vinden, en er mogelijk negatieve gevolgen aan kan koppelen, dan kunnen andere kinderen, dit zeker ook.

Kinderen kunnen wreed zijn voor elkaar, en er is weinig nodig om iemand te gaan pesten. In een tijd waarin cyber bullying een ernstig fenomeen is, is het misschien verstandig om niet meer ammunitie op het internet te gooien?

pesten

  1. Het is niet altijd veilig

Ik heb het nu gehad over mogelijke werkgevers en mogelijke pestkoppen die de foto’s van je kinderen van het internet kunnen plukken. Maar jammer genoeg blijft het daar niet bij.

We weten eigenlijk allemaal maar al te goed dat er mensen zijn met vreselijke bedoelingen die op het internet ronddolen. Die foto van je kindje in het bad krijgt dan opeens een heel andere kleur.

En ja, ik ben een positief persoon. Ik wil er niet van uit gaan dat mensen slechte bedoelingen hebben. En de overgrote meerderheid van de mensen op internet gaan inderdaad van ‘aaaaah, zo schattig’ als ze je foto’s zien.

Arda Gerkens, directeur van het Expertisebureau Online Kindermisbruik stelt:

Ik geloof niet dat er iets bestaat als te voorzichtig zijn op internet’.

Kijk, alle positiviteit ten spijt, we moeten ook realistisch zijn. Ik mocht vroeger tot na het donker in een bos gaan spelen. Zonder gsm. Zonder iets te laten weten. Zou ik dat nu toelaten aan mijn eigen zoon? Van ze leven niet! Ook al zal de overgrote meerderheid van de mensen in dat bos ook de beste bedoelingen hebben.

 

  1. Facebook, Instagram en WhatsApp mogen je foto’s gebruiken

Eigenlijk weten we dit al. Er is een tijd geleden al wat ophef over geweest. Sommige mensen dachten dat ze gewoon een melding moesten posten op hun tijdslijn dat Facebook hun foto’s niet mocht gebruiken.

Helaas pindakaas, dat werkt niet. Ook al blijft het auteursrecht van jou, Facebook (en dus ook Instagram en WhatsApp, bedrijven die Facebook bezit), mag de foto’s die jij post – ook in privé conversaties naar je familie, ook als je het enkel post in een ‘gesloten’ tijdslijn voor jouw vrienden – gebruiken.

Dat betekent dat jouw foto opeens kan gebruikt worden voor reclame, zonder dat jij hier een cent van ziet. Helemaal bitter wordt het dan als dat ook nog een aanstootgevende reclame zou zijn, of een reclame voor een product waar jij je helemaal niet in kan vinden. Dan is jouw kind daar het gezicht voor. Fijn zo.

Omdat wij wel degelijk familiefoto’s delen over WhatsApp, ben ik recent overgeschakeld naar Signal. Dat is een identieke manier van ‘appen’ maar zonder de onbestaande privacy settings.

 

  1. Privacy is een persoonlijk recht

 

Het is een begrip dat ons zoveel rond de oren is geslagen, weten we nog wel wat privacy precies is?

Volgens Wikipedia is Privacy een afweerrecht dat de persoonlijke levenssfeer beschermt. Het is een persoonlijke vrijheid, de gelegenheid om zich af te zonderen. Later is dit uitgebreid met ‘zelf bepalen wie welke informatie over ons krijgt’ en ‘de wens onbespied en onbewaakt te leven’.

 

Wat ik hieruit opmaak is dat elk individu de keuze heeft wie welke informatie over zichzelf krijgt. Het is dus niet aan mij om voor mijn kind te beslissen.

Mijn kind is een eigen individu, met zijn eigen levenssfeer, en ook al heb ik daar als ouder behoorlijk veel in te bepalen – zeker als je kindje nog klein is – het is naar mijn gevoel niet aan mij te beslissen die privacy ten dele ‘weg te geven’.

 

Ik deel ook graag op Facebook, al is het enkel voor vrienden, en dit heeft sowieso verregaande gevolgen voor mijn privacy. Facebook maakt een dataprofiel aan van iedereen die iets post, weet op basis van je zoektermen dat je zwanger bent (in sommige gevallen al voor jij of je familie dat weet), weet dat jij een kind hebt, en weet ongelooflijk veel over de sociale achtergrond van dat kind en zijn ouders.

En nee, ik heb niets te verbergen. En ja, ik krijg ook de kriebels van mensen die op sociale media zo hard een fake beeld ophangen van ‘alles is hier perfect hoor’.

Maar dat pleit mij niet vrij van kritisch nadenken over mijn eigen privacy, en die van mijn kind.

 

Ik hoor wel vaker: als onze kinderen groot zijn, posten ze alles en nog wat op sociale media, dan is het hek toch helemaal van de dam.

Maar is dat zo? Hoe weten we dit zeker? Het is nu al zo dat 91% van de ouders zich zorgen maakt over de online veiligheid van de kinderen. Het is nu al zo dat vele mensen hun zelfbeeld laten afhangen van het aantal likes. We delen almaar meer en meer, op meer kanalen, en de gevolgen hiervan laten zich nu al voelen.

Waarom er dan vanuit gaan dat die slinger steeds verder naar die kant gaat doorslaan? Is het ook niet waarschijnlijk dat we ergens stevig tegen een muur (of Facebook wall?) gaan aanlopen, en dat er via regels, restricties, maar ook bewustmakingscampagnes e.d. net WEL voorzichtiger gaat worden omgegaan met privacy?

Ik wil hier geen welles/nietes spelletje beginnen, want niemand heeft een glazen bol. Ik wil alleen stellen: als je gelooft dat bovenstaande een mogelijkheid is – en dat onze kinderen daardoor niet opgezet gaan zijn met onze ‘vrijgevigheid wat betreft privacy’ op dit moment – waarom zou je dat risico dan lopen?

 

En als het toch zo is dat ze alles met iedereen gaan delen – laat het dan hun (weloverwogen, begeleide) keuze zijn. Hun leven, hun privacy.

 

 

Samengevat heb ik vijf grote redenen waarom ik mijn kind niet bij naam noem, of herkenbaar in beeld breng op openbare sociale media.

  1. Het internet is voor altijd
  2. Je kind kan dit niet fijn vinden
  3. Het is niet altijd veilig
  4. Facebook e.d. mogen je foto’s gebruiken
  5. Privacy is een persoonlijk recht van je kind

 

Dit zijn mijn persoonlijke ideeën hierover. Ik doe het dus niet- of probeer het te beperken. Daarmee wil ik niemand veroordelen die dat wel doet. Ik beantwoord alleen een vraag over mijn redenen om terughoudend te zijn.

 

Delen jullie je kind(eren) op sociale media? Waarom wel, of niet?

 

 

 

Advertenties

Wat statistiek je niet vertelt

Een taboe. Het zegt me zo weinig. Dat we een perfect beeld moeten weergeven naar de buitenwereld toe. Voel ik me ook niet door aangesproken.

En toch is het moeilijk deze te posten. Maar oktober is naast de maand van oranje pompoenen en borstkankermaand ook ‘pregnancy loss awareness month’. En doen of er niets is gebeurd, voelt dan ook verkeerd.

 

Ik ben 1 op 4.

1 op 4 vrouwen krijgt te maken met (minstens) een zwangerschapsverlies.

 

Ik ben 1 op 6.

1 op 6 koppels worden niet vanzelf zwanger.

 

Ik ben 1 op 50.

1 op 50 mensen heeft een afwijking in de bloedstolling die tot miskramen kan leiden.

 

Ik ben 1 op 2000.

1 op 2000 zwangerschappen is een mola zwangerschap.

 

Ik ben 1 op 10 000 .

1 op 10 000 zwangerschappen leidt tot chemo (1 op 5 mola’s).

 

Ik ben 1 op 40 000.

1 op 40 000 zwangerschappen leidt tot zware chemo.

 

MAAR

 

Ik ben 1 op 3 500 000 000

Ik ben de enige vrouw ter wereld die getrouwd is met die fantastische, warme man van mij.

 

Ik ben 1 op 7 miljard.

Er is er maar één die zich mama mag noemen van dat prachtige, wonderlijke krullenbolletje.

 

En dan besef ik, hoeveel geluk ik heb.

klavertjevier

Jij stond niet altijd aan mijn zij: 7 jaar getrouwd

samen

Mijn lieve schat,

Als dit jaar op zijn laatste beentjes loopt, zullen we een half leven samen zijn. En vandaag, op 15 oktober, zijn we zeven jaar getrouwd.

Ik zocht op welke huwelijksverjaardag dat is. Papier, kant, berkenhout,… ik vind het grappig om dat te weten.

De meningen zijn verdeeld. Het is dons, wol, of koper.

Wat tekenend. Zacht, en hard.

Zo waren ze wel, die voorbije jaren. Zacht, en hard.

 

Het was niet zoals ik me had voorgesteld. Helemaal niet. Wij zijn allebei planners, maar plannen maken heeft zo weinig zin gehad. Alles liep anders, en vaak was het enige wat wij konden doen ‘rolling with the punches’.

Er is zo veel gebeurd, die voorbije jaren. Het is bijna niet te overzien.

Maar één constante steekt er boven uit.

Die 15de oktober kwam je me halen, bij ons thuis. Ik kwam van de trap en de hele dag stond je aan mijn zij.

En alle dagen daarna ook.

ballonnen

Of nee, dat is niet waar. Je stond niet altijd aan mijn zij.

 

Toen ik geopereerd werd aan mijn rug, en acht maanden amper uit de voeten kon, stond je niet aan mijn zij.

Je stond overal. Je runde het huishouden, je zorgde voor boodschappen, eten, je bracht me naar de kine. Samen met oefeningen en tijd, bracht je me er bovenop.

En toen ik drie miskramen kreeg op acht maanden tijd, stond je niet aan mijn zij. Je hield mijn hand vast, je hield mijn schouders vast, je hield mijn hart vast, toen het klaar was om in stukken te vallen. En samen met tijd, lijmde je het weer zo goed als het kon.

En op onze allermooiste dag, toen ons allermooiste geschenk geboren werd, stond je niet aan mijn zij. Je zat achter me, op een stoel, en ik zat op een kruk tegen je aan. Samen met mij zag je hem voor de eerste keer. Dat prachtig wezentje dat ons ouders maakte, eindelijk.

Al die nachten dat hij huilde, dat ik borstvoeding gaf, toen stond je niet aan mijn zij. Je stond naast de wieg, klaar om hem op te pikken, te knuffelen, te verschonen en dan aan mij te geven. Zodat ik me kon bezig houden met voeden en nog eventjes verder slapen.

En toen we voor een broertje of een zusje gingen, en ik ziek werd, in een nachtmerrie terecht kwam die maar niet leek te eindigen, en chemo nodig had, toen stond je niet aan mijn zij.

Je zat tegenover me in het ziekenhuis, uuuuuurenlang. Je combineerde een uitdagende job vol verantwoordelijkheid, met alle verantwoordelijkheid over ons kleine gezinnetje. Je zorgde voor ons allemaal – misschien enkel te weinig voor jezelf – gedurende al die maanden.

 

Lieve schat, al die jaren, zo zacht en hard zijn ze geweest. Als dons en koper. En jij was er. Niet altijd aan mijn zij, maar altijd waar je nodig was.

 

You will forever be my always.

 

Dank je wel.

 

Ik hou van je.

quote always

Hoe beslis je of je springt?

wegwijzer

Ik ben iemand die graag plant. Ik word rustig van het overlopen van de dag, de week, misschien zelfs de maand.

Maar zei John Lennon niet ‘Life is what happens to you, while you are busy making other plans’?

 

Het voorbije jaar heb ik wel (opnieuw) geleerd dat plannen niet altijd lukt. Tijdens de behandeling heb ik er echt aan moeten wennen dat niets voorspelbaar was. ‘Zal ik dan of dan eens langskomen?’ vroegen vrienden  – en ik kon daar niet op antwoorden. Want ik wist niet hoe ik me zou voelen. MEGA. IRRITANT.

 

En nu is er een andere vraag, die al even rond zoemt. Niet alleen in mijn hoofd, trouwens. ‘Wanneer ga je terug aan de slag?’.

 

De vraag is eenvoudig genoeg. Maar het antwoord…

 

Ja, het gaat best goed met mij. Ik kom de dag door zonder dutje. Ik heb nog energiedips maar die gaan binnen een minuut of 10 over. Ik ben fysiek zeker sterker geworden. Ik zoek minder naar mijn woorden na 16u. Ik slaap weer, zoals voordien.

 

Ik ging naar een meeting van het werk, ik voelde me zo welkom. Ik kon redelijk goed volgen. Ik werd er enthousiast van.

Daarna was ik er twee dagen mottig van.

Maar heeeee….. iedereen is moe, na een zware vergadering. Toch? Iedereen is lastig na een werkdag. Iedereen heeft wel eens hoofdpijn. En nekpijn. Tuurlijk wel.

 

Ik weet niet het niet. Ik zit tussen ‘Neem toch genoeg tijd – je zit nog lang niet aan dat jaar’ en ‘je gaat toch eens moeten springen’.

 

Spring. Spring dan.

 

Nu blijk ik toch wel hoogtevrees te hebben seg.

Nooit geweten.

springnaarhetwerk

Haat is een sterk woord – dat stemmetje in je hoofd

‘Haat is een heel sterk woord’, zei mijn moeder vroeger, ‘een lelijk woord.’

Op zich misschien geen lelijk woord – ‘haat’ – maar wel een lelijk gevoel. En ja, een sterk gevoel ook.

 

En toch… ik haat het.

Ik haat dat kleine stemmetje in mijn hoofd.

 

Wanneer heb ik dat binnengelaten? Waarom is het daar gaan wonen? En vooral – hoe raak ik er weer vanaf?

 

Dat stemmetje dat soms fluistert, soms schreeuwt, soms niet meer is dan een klein venijnig tikje, alsof er een elastiekje knapt op je hersenen.

 

Jij kan dat niet.

Jij kan dat niet meer.

 

Dat gaat niet lukken.

Jij bent stuk.

 

Jij bent niet genoeg.

Niet voor je man. Niet voor je zoon. Niet voor jezelf.

 

Triest.

Tsssss…

 

Als ik aan de vijfde ‘start to run’ begin – jij kan dat niet.

Als het wel vlot gaat – drie minuten lopen, dat kan iedereen wel. Niet echt iets om fier op te zijn, toch?

 

Ik haat je.

 

Als ik ergens pijn heb – het is zeker weer iets ernstig. Dat overkomt je toch altijd?

Als ik door mijn haar ga, en er eentje uitvalt – je gaat ze weer allemaal verliezen.

 

Ik haat je.

 

Als ik van iets moois geniet – je gaat weer alles verliezen.

Als iemand anders goed nieuws heeft – Dat is niet voor jou. Dat overkomt je toch nooit?

 

Ik haat je.

 

Als ik in de spiegel kijk – al die angst staat nu op je gezicht gegrift. Iedereen kan dat zien.

Als iemand zegt dat ik er goed uitzie – ze zijn gewoon beleefd. Ze moesten eens weten…

 

Ik haat je.

Ik haat je.

Ik haat je.

Soms wilde ik dat ik wél alcohol dronk. Want op koffie blijft het drijven.

 

sad coffee

Het schilderij van mijn kindertijd

Ik geef het niet graag toe, maar tentoonstellingen zijn niet aan mij besteed. Ja, schilderijen kunnen heel mooi zijn, maar hoe mensen daar helemaal in kunnen opgaan, minutenlang kijkend naar iets dat ik duidelijk niet zie….Ik sta langer naar de corn flakes te kijken dan naar een kunstwerk.

 

Maar dit keer is het anders.

Ik hou even mijn adem in.

 

Het schilderij.

Mijn nicht heeft het gevonden.

Het werk zelf is niet veel groter dan een A4-tje. De kader is bruin met een gouden randje, hier en daar al wat beschadigd en verre van mijn stijl.

Maar ik was zo blij dat ik het kreeg en ik kan er mijn blik niet vanaf houden.

schilderij

Van die gevel. Van de ramen. Van de deuren. Het is een zicht op mijn kindertijd, die zich daar toch voor een groot deel heeft afgespeeld. Achter het centrale raam at ik ontelbare keren steak met kroketballetjes en Provençaalse saus. Onder het afdak, dat net niet op het beeld staat, hing een oude bel en mijn kleine schommel. Het kraantje hing lager in mijn herinnering.

 

Vanaf de eerste zonnestralen zaten we op dat terras, mijn groottantes en ik. Elke woensdagnamiddag van mijn schoolcarrière. Het was er altijd meteen warm en rustig, als een betonnen oase van kalmte en privacy.

 

Elk najaar verschenen de kleuren van de begroeiing op de gevel. Elk najaar werden daar foto’s van genomen. Dat dit schilderij ook gemaakt is vanaf een foto, verraadt de datum in de rechteronderhoek ‘28/12/02’. In december was de muur kaal.

 

Gesigneerd ADx.

Mijn oom schilderde dit werk.

Soms lijken mijn herinneringen te vervagen onder een grijze sluier. Dit is het bewijs dat vroeger net heel kleurrijk was. Ik kan niet anders dan glimlachen als ik dat zie.

 

Ik wil hem dat zo graag vertellen. Maar dat kan niet meer.

 

Verdorie toch, tonton.

Weekendje aan zee met Superheld

Een weekendje aan zee. Wat tijd met ons drietjes. Ja, daar waren we wel aan toe.

De wagen werd vakkundig vol gehesen, de koelkast werd aan een kritisch oog onderworpen en slechts twee uur later dan we hadden gepland, zetten we koers naar de kust.

 

Het was al even geleden dat we deze driedaagse met drie vastlegden, en dat we besloten om naar het appartementje terug te keren waar we vorige zomer een fijne week doorbrachten. Immers, het ligt vlak aan het strand, het heeft een groot balkon en er is meer dan één vork in de keuken te vinden. En zo lang ik me kan herinneren, staat naar de zee gaan gelijk aan rust, ontspannen en genieten.

 

Pas twee weken geleden begon het me te dagen, dat het wel eens confronterend zou kunnen zijn.

Dat het niet alleen het appartementje is waar we een leuke vakantie hadden, het is ook het appartementje waar we een leuke vakantie hadden, vóór de hemel op ons hoofd viel, en het zes maanden nacht werd.

 

En opeens werd alles zo dubbel.

 

Dus ja, ik had stress. En niet alleen omdat er evidentere zaken zijn dan inpakken met een klaterende kleuter in de buurt. Ik had stress omdat ik dacht ‘wat als…’

 

….wat als de zee níet meer gelijk staat aan rust? Wat als het gelijk staat aan de ramp die je niet zag aankomen?

… wat als ik de zetel alleen herken als de plek waar ik een jaar terug misselijk zat te wezen – en blij was met die mottigheid, want ‘dat was zo’n goed teken tijdens een prille zwangerschap’.

… wat als ik alleen kan denken aan die voorzichtige hoop die we voelden, en die zo afschuwelijk is neergemaaid?

 

Stress.

 

We gingen wandelen op het strand. Alleen ‘wij drietjes’, zoals krullenbol dat zo mooi zegt.

Ik hield twee paar sandalen in mijn handen- één paar maatje 27 en één paar maatje 47 en luisterde.

 

Ik luisterde naar die grote schat van mij die vertelde hoe de zee soms dichtbij is, en dan weer veraf. Hoe er in dat laatste geval plassen en riviertjes worden gevormd op het strand. Hoe die grote vogel een meeuw wordt genoemd en dat die net een visje uit een plas had gehaald.

 

  • Een MEEUW, niet een LEEUW! Die pootafdrukjes zijn van een MEEUW!
  • Neen, deze zijn van een hond, niet van een olifant. Een olifant houdt niet van zand.

 

Ik luisterde naar de uitleg over de schelpjes, en dat die hele lange ‘messen’ worden genoemd. Hoe wormpjes zich in het zand graven en een worstje achterlaten.

 

Onze krullenbol was in een ‘superman’-fase. Hij heeft zo’n 76 keer ‘out of the blue’ik ben superheld’ geroepen, en dan in de lucht gegooid wat hij op dat ogenblik in zijn handen had (of het nu zand, een schelpje of zijn pet was). Blijkbaar is zijn superkracht heel hard dingen gooien, aldus manlief. We lachten.

 

Superheld draagt zand naar de zee. Met een geel schepje. Water dragen naar de zee, daar heb ik van gehoord, maar zand? Bijzonder, heel bijzonder.

 

Zoals Superheld natuurlijk.

 

En toen verdween de stress. En wist ik het wel. De zee, dat blijft rust. Wat niet mocht zijn zal niet de overhand nemen. Wat er is, dat telt.

 

Dus ik glimlachte bij de raad van grote schat aan kleine schat: met kwallen word je best geen vriendjes.

 

Ook goed advies voor je verdere leven, lieve Superheld.

IMG_3921

Jij ontbrak mij vandaag

chuttersnap-348304-unsplash

Als je me zou vragen wat dat is, missen, dan zou ik die vraag niet meteen kunnen beantwoorden.

Ik denk dat iemand missen anders is voor iedereen. En voor iedereen anders op elk moment.

 

Gisteren miste ik je niet. Morgen misschien heel erg. Misschien denk ik plots aan je, en voel ik me daar vrolijk door. Of misschien moet ik iets wegslikken. Tien jaar geleden miste ik je heel anders dan vandaag. Het missen verandert. Ik verander. Ik weet niet hoe die twee gerelateerd zijn, wat is oorzaak en wat gevolg?

 

Het lijkt me dus erg persoonlijk. Of misschien wel helemaal niet, misschien gaat het niet over mij, maar net over jou. Zoals het in het Frans is – tu me manques – Jij ontbreekt mij.

 

Jij ontbrak mij vandaag.

 

Zoals elke keer dat ik in de aankomsthal van Zaventem kom – of het nu is als passagier die net landde, of als ophaler van dienst, die reikhalzend tussen de deuren uitkijkt.

Niet dat jij nu zo vaak in Zaventem rondhing. Of daar een bijzondere band mee had.

 

Nee, het komt door die ene keer. Die keer dat ik terugkwam van vakantie- ik weet al niet meer waar precies-, en dat er was afgesproken dat iemand anders mij zou oppikken en naar huis brengen. En toen kwam ik door die deuren met mijn koffers achter me aan, en jij stond er toch.

 

Omdat je het niet kon laten. Omdat je mij wou zien. Omdat je mij gemist had.

 

Tegen alle logica in is er elke keer weer dat stukje van mij – niet veel, maar een onmiskenbaar snippertje – dat hoopt dat jij daar zal staan. Als verrassing. Zoals toen. Omdat je mij al zo lang moest missen.

 

Wat zou ik doen mocht het zo zijn, vroeg ik me vandaag af.

Ik zou je knuffelen/knuffelen/knuffelen, opnieuw en opnieuw. Ik zou geen tijd verspillen aan vragen over hoe en wat mogelijk is. En tegelijk zou ik je meteen vertellen over die krullenbol die ons leven zoveel mooier maakt, hoe lief en zachtaardig hij is, hoe pienter en schattig en hoe hij van gedichtjes houdt en van zingen en van fietsen en van kietelen en nog zoveel meer.

 

En dan zou jij me aankijken en glimlachend zeggen: ‘maar moushi, dat wéét een oma toch allemaal al.

Na de zakenreis

Na een half leven, na meer dan 18 jaar.

Na zotte avonturen, afschuwelijk trieste uren en heerlijk perfecte momenten

Na tonnen ‘gewoon’ en grammen uitzonderlijk

Na letterlijk duizenden dagen en duizenden nachten.

Na verlies, winst, vallen, opstaan en dat alles schier eindeloos herhalen

 

Klopt mijn hart toch weer net iets harder

Wordt mijn glimlach net iets breder

Als ik jou ontdek op de luchthaven.

Natuurlijk kom ik je ophalen.

Lente

Gisteren zuchtte ik nog weemoedig over een sneeuwstorm in Boston. Vandaag bracht een heerlijk lentezonnetje de energie weer op peil.

 

Tijdens de middagpauze wandel ik over de Oude Markt en het lijkt wel een fast forward naar de zomer: jassen werden thuisgelaten, benen ontbloot, en terrasjes zijn druk bevolkt (de aula’s deze namiddag, daarentegen…). De sfeer is heerlijk, alsof iedereen collectief heeft besloten te vieren dat de winter alweer overwonnen is, dat er langere dagen aankomen, dat de vitamine D uit de lucht valt en niet in een potje zit.

 

Er werden veel pintjes verkocht vandaag. Studenten zitten op de trappen van de markt stukken pizza te eten, pastabekers of een hoorntje met drie bollen als lunch, want vandaag moet dat kunnen! Er klinkt wat muziek, ik denk dat er een soort optreden komt.

 

Ik wandel voorbij en kan niet anders dan glimlachen. Om de discussies of er al dan niet naar de les gegaan wordt. Om de iets te optimistische korte rokjes. Om de fietser die me bijna raakt omdat-ie één hand nodig heeft om zijn ijsje vast te houden. Om de jongen met het blauwe haar en de hot pants.

 

Die eerste écht zonnige dag van het jaar zou een vaste verlofdag moeten zijn, voor iedereen. Want lente in Leuven, da’s meer dan een mooie alliteratie.

 

leuven

Wicked storm

Vanmorgen kreeg een berichtje van de vriendin die een jaar geleden een heel fijn weekend bij ons in Boston doorbracht. De link die ze doorstuurde, verwees naar een krantenartikel waarin een grote storm in Massachusetts werd aangekondigd. Meer dan een halve meter sneeuw wordt er verwacht. En wij wandelden toen in een licht truitje over de Freedom Trail en maakten zonovergoten foto’s in de Harvard Yard.

 

‘Ik voel een blogje over het weer in Boston opkomen’, schreef iemand anders me, die de blizzard ook al aangekondigd had gezien. Er valt inderdaad wel iets te vertellen over dat weer in New England, dat in de tussenseizoenen zo verschrikkelijk variabel kan zijn, dat je gerust temperatuursprongen van 20°C op 2 dagen kan verwachten. Zoals toen mijn schoonouders ons kwamen bezoeken. Op vrijdag genoten we van een lentezon tijdens een wandeling, de jassen vakkundig onderin de buggy gepropt, de volgende dag vierden we de verjaardag van het kleine ventje met een matig weertje, en de dag daarop viel mijn ‘happy birthday’ voor het grote ventje stil omdat ik niet kon geloven dat er 20 cm sneeuw was gevallen.

 

Maar eigenlijk wilde ik helemaal niet over Boston schrijven, laat staan over het weer.

 

Vandaag was zo’n dag waarin je wat opgeslokt wordt door administratie, regeltjes, documenten. Ik probeerde me daardoor te worstelen én ondertussen goed gehumeurd te blijven – en niet evidente opdracht. Bij het zoveelste kopje koffie dat ik ging bijtanken, stond ik even in de keuken en keek door het raam.

 

En plots was het daar. Niet de tuin aan die keuken, met de hagen en het grasveld. Het verdween, het ritselde weg, zoals de vertrekuren op dat grote bord in de hal in de luchthaven van Zaventem – de bordjes kantelden en er verscheen iets anders. Daar was ons uitzicht, vanuit ons appartement. De treurwilgen die Grigg’s Park omranden, waar ons ventje zo vele uren heeft gespeeld. De elektriciteitsdraden die de eekhoorntjes laten oversteken, de palen staan scheef, maar dat lijkt niets uit te maken. De parking beneden aan ons gebouw. De rustige straat waar we pizza’s lieten leveren om ze in het park op te eten (want: “pizzas can’t be delivered to a park”. Dat weten we dan ook alweer). De daken van de appartementsgebouwen op Beacon street.

 

In de zon. Met herfstkleuren. Onder de sneeuw. Met nieuwe blaadjes.

 

Vandaag mis ik Boston, en mijn uitzicht. Sneeuwstorm en al.

unnamed-1

wicked

 

 

Toch iets over Vrouwendag

Gisteren was het Internationale Vrouwendag.

Op 8 maart 1908 werd er voor het eerst door vrouwen geprotesteerd, toen vooral voor betere werkomstandigheden in de textielindustrie. ‘Brood en rozen’, wordt dat genoemd. Op 8 maart 1917 kwamen vrouwen in Sint-Petersburg massaal in opstand tegen de verschrikkingen van de oorlog en het voedseltekort. Dat is allemaal alweer even geleden.

Ik moet toegeven dat ik eerst niet van plan was hierover te schrijven. ‘Is dat niet allemaal wat overroepen? Is dat niet zoiets als Complimentendag (1 maart), waarbij ik ook elk jaar denk: ik heb geen speciale dag nodig om mijn collega te vertellen dat ik haar trui mooi vind’.

Ik dacht aan die keren dat ik te maken kreeg met wat je zou kunnen noemen: minder vrouwvriendelijke praktijken. Toen de prof me niet liet uitspreken want ‘vrouwen hebben toch geen ruimtelijk inzicht’. Toen de man in de keukenwinkel zich volledig naar manlief richtte bij de hele uitleg, tot het ging over de kasten die ‘madam heel gemakkelijk kon afwassen’. Waarop manlief liefjes antwoordde dat zijn vrouw geen kasten afwaste, maar wel besliste over de aankoop van de keuken.

Of de vertegenwoordiger van die bouwfirma, die mij op Batibouw letterlijk geen énkele keer liet uitspreken. Ik laat je raden met wie wij NIET in zee gingen. Ik moet nog altijd wat grijnzen dat uitgerekend zij nu een reclamespot hebben ‘Wij luisteren naar al uw vragen’. Helemaal volledig zou natuurlijk geweest zijn: …tenminste als u een Y-chromosoom bezit.

Die keer dat ik een team van mensen leidde, waaronder een man die 15 jaar ouder was dan ik, en die standaard aanzien werd als de leidinggevende. Of ik notities kon nemen, misschien?

Die vriend die heel gewoon verkondigde dat hij in het geval van gelijkwaardige kandidaten voor een functie, sowieso de man boven de jonge vrouw zou kiezen. ‘Anders heb je al dat gedoe met zwangerschapsverlof’.

In mijn huidige functie kom ik dan weer geregeld in contact met oudere academici – en hoor ik wel eens waaien ‘dat vrouwen geen plaats hebben in de exacte wetenschappen‘ (2x raden wat ik studeerde) of ook wel ‘dat het onderwijs dé plek is voor vrouwen, want eens ze kinderen ‘geworpen’(verbatim) hebben, kan hen toch niets anders meer boeien’.

De films die ik ga kijken, hebben zelden écht interessante vrouwelijke personages, de kinderboeken die ik voorlees, bevatten slechts in 33% van de gevallen echte vrouwelijke personages. Meestal zijn het dan onrealistische prinsessen. Het percentage daalt verder als ze ook nog werkelijk iets moeten zeggen (onderzoek naar geweest, ik ben zelf niet gaan tellen).

Kortom, dit is eigenlijk allemaal peanuts. Niet OK, nee, maar ook niet levensbedreigend of compleet discriminerend.

Ik stond erbij, grinnikte en dacht dat die mannen eenzame, verouderde krokodillen waren. Clichés opgetrokken uit perkament, die een plaatsje verdienden in het museum: Homo Mysogynicus, laatste exemplaar. In perfecte staat te bewaren, want totaal verzuurd.

Dan wordt zo’n exemplaar president, en begin je te denken – is het dan toch niet zo evident?

Ik dook achter mijn scherm en onder mijn klavier om één en ander op te zoeken.

De cijfers kwamen hard aan.

  • Hoewel vrouwen de helft van de wereldbevolking uitmaken
    • doen ze 66% van al het werk
    • verdienen ze 10% van het wereldinkomen
    • hebben ze 1% van de bezittingen
  • Hoewel vrouwen steeds vaker een hogere opleiding krijgen,
    • is 5% van de wereldregeringsleiders vrouw
    • is 66% van alle analfabeten op de wereld vrouw
    • bestaat er ook in België nog steeds een loonkloof

 

Verdien ik 20% minder? Ik zou het eerlijk gezegd niet weten, ik heb geen mannelijke collega’s. Zit er een glazen plafond? Er zaten tot voor kort twee jonge vrouwen in ons managementteam – en dat is nu niet meer het geval. Maar kan ik daar iets uit besluiten? Is het onze keuze, of wordt de keuze gemaakt voor ons?

Met dat in het achterhoofd, zag ik vandaag dikwijls deze quote voorbijkomen op Facebook:

strong

En ik denk dan-

Laat mij een sterke man grootbrengen. Die zijn niet bang van of geïntimideerd door sterke vrouwen. Die voelen zich niet groter door anderen te kleineren. Die vinden gelijkwaardigheid gewoon normaal.

Hebben we niet beiden nodig om deze scheve situatie recht te trekken?

Lieve kerstman

Lieve kerstman,

 

Binnen een weekje bezoek je ons landje weer. En dan breng je een slee vol pakjes mee. Dat is fijn natuurlijk, ik hoop dat er ook eentje voor mij onder de boom ligt. Maar als die slee dan leeg is, wil je dan ook iets terug mee nemen? Er zit me namelijk iets danig in de weg. Hoe ik me ook in bochten wring, ik schijn het niet te kunnen ontkomen. Dus daarom wil ik het gewoon het huis uit: die karrevracht aan schuldgevoel.

animaties-kerst-slee-98709

Ziet u, kerstman, ik ben een perfectionist. Veeleisend. Alle latten liggen hoog. Tia Hellebaut-hoog. Altijd al geweest.

 

Maar als ik zo rondkijk in mijn vriendenkring, dan ben ik daar niet alleen in. Iedereen wilt uitblinken. En liefst in alles. Dat willen we, ja, maar dat wordt ook van ons verwacht.

 

Je hebt een succesvolle job en je hebt ambitie. Je huis ligt er piekfijn bij, Scandinavisch design en al, en je tuin komt ook net ‘uit de boekjes’. Je kookt dagelijks vers en gezond, evenwichtig en liefst zo ecologisch mogelijk. Je jogt 10 km, vroeg in de ochtend of nadat je je yoga-oefeningen hebt gedaan. Je relatie is top. Je kinderen zijn modelletjes, ze spreken met twee woorden sinds ze 8 maanden zijn, en eten alle gebalanceerde en gevarieerde maaltijden die je ze voorschotelt. Daarna hebben jullie nog een half uur een filosofisch gesprek aan tafel, en gaan ze zelf naar bed – waar ze uiteraard doorslapen tot jij ze wekt morgenvroeg.

 

Toch?

 

En dus… voel ik me schuldig. En sinds zoonlief er is, lijkt dat  gevoel exponentieel toegenomen. Je krijgt het er zo maar gratis bij, een groot pak schuldgevoel, als luiers, maar dan wel ‘taille unique’.

Ik voel me schuldig tegenover mezelf – omdat ik bijna twee jaar na zijn geboorte, nog altijd geen 5 km kan joggen, het is echt een processie van Echternach, vier lessen Start to run – griep – aantal lessen opnieuw doen – beetje vooruitgang-  ventje ziek, ouders oververmoeid – aantal lessen opnieuw doen- keelontsteking en hoesten als een kettingrokende zeehond -…

Omdat ik bijna twee jaar na zijn geboorte, nog altijd een ‘mummy tummy’ heb, dat gaat heus niet vanzelf weg hoor! En er mogen best vijf kilo af. Maar ik zit liever in mijn zetel ’s avonds, ja daar heb je het al.

 

Ik voel me schuldig tegenover mijn vrienden – omdat het vaak lang duurt voor ik kan afspreken, omdat ik zo klaag dat mijn agenda vol zit, dat ze niet meer durven vragen om iets te gaan doen, omdat ik afzeg vanwege te moe- te druk – te veel.

 

Ik voel me schuldig tegenover manlief – omdat ik zo vaak moe ben, omdat ik soms ook kribbig ben, omdat ik niet deftig kan strijken.

 

Maar het meeste voel ik me schuldig tegenover dat kleine blonde ventje met de grote ogen – omdat ik weer zo laat bij de crèche was dat hij daar (bijna) alleen zat (het was nochtans maar 17u40, hoe dóen die andere ouders dat toch?!). Omdat ik hem wel eens soep uit brick voorschotel. Omdat ik wel eens op mijn GSM zit te scrollen als hij een blokjestoren maakt. Omdat ik de Ipad gebruik als afleidingsmanoeuvre wanneer ik moet koken, OK ja, eigenlijk ook wel eens wanneer ik niet moet koken.

 

Nochtans, ik doe gewoon mijn best. En soms lukt het om over die hoge latten te springen. Maar vaak beland ik voluit met mijn smoel op de mat. Maar ik doe mijn best, en daarom, beste kerstman, mag je dat schuldgevoel gewoon inpakken en meenemen.

 

Want ‘goed’ is goed genoeg. En ‘goed genoeg’ is goed.

 

Ik jog dan wel ‘fragmentarisch’ maar ik jog, of ik probéér. Ik word gedubbeld door oude slakken, maar ben sneller dan al wie op de zetel ligt. Ik heb een buikje maar dat is een bewijs, een tastbaar bewijs dat daar leven in groeide. Léven! En wat voor leven!

Ik ben moeilijk te boeken, maar als ik er ben, dan heb je mijn aandacht. En ik wil die afspraak over vier maanden ook echt wel inplannen met jou, lieve vriendin. Het occasioneel gestoef over bovengenoemd Leven moet je er even bijnemen.

Het huishouden behoort niet tot mijn kwaliteiten, maar kijk, dat wist je al langer dan vandaag, hé schat. Ik zou met niemand anders dit avontuur willen beleven.

En klein ventje, ik ben er voor jou. Je hebt het fijn in de crèche, je eet graag 8-groentenweelde, ik heb een foto genomen van je toren met mijn smartphone, en Bumba is echt heus wel educatief, toch? (Jaren Sesamstraat hebben mij in elk geval niet misvormd).

Ik doe, zoals zovelen, mijn best. Lieve kerstman, laat dat volgend jaar genoeg zijn – vooral  dan voor onszelf.

 

Maar niet zo maar

Als mijn haar ’s morgens de wet van de zwaartekracht tart

Als mijn thee koud is geworden, maar ik ze toch opdrink

Als ze bij het file-overzicht de Belliardtunnel aanhalen

Als ik zoonlief een gedichtje voordraag, en hij dat geweldig vindt

Als de buurvrouw vraagt of ik andijvie wil

Als het geluid van trolleywieltjes op weg naar huis, Leuven vult

Als ik merguez-worstjes eet en denk ‘ja, dat is schapenvlees’

Als een Hema winkel een koffiehoek heeft

Als iemand de horoscoop van Vissen leest

Bij elk kruiswoordraadsel

Als ik een speciaal hapje koop voor de katten

Als iemand voor mij een appeltje schilt

Negen jaar kan een eeuwigheid zijn, soms lijkt het gisteren, soms lijkt het nu.

Maar die momentjes, de fracties, de secondjes, dat ik aan je denk, mama, dat is een lijst die zijn einde nog niet heeft gevonden.

loesje