2017: salut en de kost!

Zo, 2017.

Jouw laatste uren zijn ingegaan.

Je startte veelbelovend. Wij hielden ons aan onze goede voornemens: we letten op ons eten, we gingen joggen, we spendeerden veel tijd bij familie en vrienden, we gingen op vakantie in eigen land en genoten volop, kortom het ging goed met ons.

Ik ging een aantal uitdagingen aan, 40 dagen minder vlees en vis eten, en 40 dagen bloggen. Beiden werden met succes afgerond en ik ontdekte weer hoe fijn het was om te schrijven.

Maar toen we aan onze volgende droom wilden beginnen, 2017, om voor een broertje of zusje voor krullenbol te zorgen, toen kwam de grootste uitdaging van jou.

We dachten dat we het zo wel wat kenden, het ongeluk van een miskraam. Dat het nog zo veel erger kon, daar hadden we geen idee van.

Maar sinds de zomer leek het of we steeds maar verder wegzakten in een vervloekte berg van slecht nieuws. Voor we goed en wel beseften dat er géén baby zou zijn in maart, zat ik in het ziekenhuis om chemo te krijgen. Verloor ik mijn droom, mijn gezondheid, mijn haar.

Wat ik wel vond, was de warmte en steun van familie en vrienden. Het geeft kracht, te weten dat zo veel mensen je een warm hart toedragen, en mee supporteren. Alle kaartjes, smsjes, pakjes, bezoekjes, telefoontjes, koffietjes, maaltijden, … Het is wat ik wél wil onthouden van 2017.

2018 wordt het jaar van heropbouwen. Van terug naar normaal. Wat kijk ik daar naar uit.

Naast een goeie gezondheid wens ik iedereen een rustig jaar toe.

2018: Welkom!

Happy-New-Year-Images-2018-HD-6

De collega’s

Ik verliet het restaurant waar we net een gezellige avond hadden doorgebracht met z’n zessen. Twee dames die ik nog dagelijks zie op kantoor, drie bij wie dat al even niet meer het geval is.

Ik heb al enkele jobs achter de rug, en bij elke job horen collega’s. Aangezien je die mensen gemiddeld meer ziet dan je halve trouwboek, is het niet meer dan normaal dat je daar een band mee opbouwt. Maar kijk, dat is elke keer toch héél anders gegaan.

 

planner

Mijn eerste job was een jaarcontract bij de federale overheid. Ik was 23 en de gemiddelde leeftijd van mijn collega’s was dubbel zo hoog. Uitspraken als ‘nog 11 jaar en ik mag met pensioen’ vrolijkten de koffiepauze op. Over het algemeen lieve mensen hoor, die mij aanraadden snel ander werk te zoeken. Dat heb ik dan ook gedaan.

 

Ik begon aan mijn onderzoek aan de universiteit, en daar werkten – buiten de professor – alleen mensen die ongeveer mijn leeftijd hadden. Toch was dit kleine team heel anders dan ikzelf; het was bijvoorbeeld perfect mogelijk twee weken op vakantie te vertrekken en bij terugkeer vroeg niemand hoe het geweest was. Er werd zelden samen gegeten. Pas jaren nadat ik daar vertrok, heb ik echt contact gekregen met twee collega’s van toen, die ik nu als vrienden beschouw.

 

Later had ik een job waar ik op het randje van een bore out belandde, maar de collega’s waren super. Alleen werkten we in een uithoek waar niemand echt in de buurt woonde, dus iets gaan drinken na de uren zat er helemaal niet in. Van de pakweg vijf mensen die ik toen als (bijna-) vrienden beschouwde, hoor ik er nu nog eentje geregeld. Maar da’s wel een ‘goeike’.

 

Dat is misschien wel de algemene les: waar ik werkte, had ik steeds een goeie ‘klik’ met een heel aantal mensen, maar eens je elkaar niet meer elke dag ziet, blijft er niet veel volk over. Een paar keer heb ik mij daar zwaar in vergist, dacht ik ‘wij spreken zeker nog af’ en verdwenen ze van de aardbol. Ik heb geleerd niet te veel te verwachten. Aan de andere kant mag ik niet klagen, en heb ik een handvol vrienden overgehouden aan mijn vroegere jobs.

 

Op dit moment zit ik, wat collega’s betreft, in een hele fijne situatie: het is echt een toffe bende die de leuke momenten samen viert, en elkaar steunt als het wat moeilijker gaat. Mensen die vertrekken, houden vaak toch nog contact, en melden dat ze onze hechte groep missen (of misschien horen wij dat gewoon graag, dat kan ook). Toen we een jaar in Boston woonden, kreeg ik geregeld een mailtje of een berichtje.

 

Eigenlijk is dat toch toevallig – dat je op je werk mensen tegenkomt met wie het klikt. Dat maakt de maandagochtend (en de dinsdagochtend, en de woensdag en de ….) in elk geval heel wat aangenamer!

quote

 

En jij, heb jij leuke collega’s? Zie je ze als echte vrienden?

 

(het idee van deze post kreeg ik van Samaja).

Shoe stories – part 2

In mijn vorige post had ik het al over mijn haat-liefde verhouding met schoenen.

 

Haat: je moet ze gaan kopen en liefst ook eerst passen en vaak gaan ze schuren – maar pas als je ze gekocht hebt, of anders zijn de hakken toch weer te hoog gegrepen voor mij. Of je neemt je normale maat, en dan blijkt dat je stiefzusterlijk bijna een paar tenen moet gaan afzetten om erin te kunnen.

Liefde: ze houden mijn voeten veilig, warm en droog. Ik apprecieer dat.

 

Ondanks het feit dat ik niet zo veel schoenen heb (ik denk zo’n 10 paar, sandalen, winterschoenen en sportschoenen inbegrepen), ligt er nu een paar in de koffer van mijn wagen. Daar zijn ze met een grote, welgemikte worp beland en ik ga ze doneren bij de eerste kans die ik krijg.

 

Waarom?

 

Daarvoor moet ik even wat teruggaan.

 

Het is niet zo dat ik van elk paar schoenen exact weet wanneer en waarom ik ze gekocht heb. Maar bij dit paar is dat wel het geval. In het najaar van 2010 had ik echt nood aan een nieuwe uitdaging. Ik wilde dan ook gaan solliciteren. En natuurlijk, wat doe je dan: you dress for success.

 

Een goede vriendin van mij ging met me mee, want zoals ik al bekend heb: shoppen en ik, dat gaat niet goed samen. En we kozen samen de perfecte sollicitatieschoenen: mooi afgewerkt, neutrale kleur, comfortabel, professionele look. Ik solliciteerde voor drie jobs en mocht op drie plaatsen beginnen.

 

Die vriendin meenemen was dus een goede zet geweest. Dat wist ik wel: we kenden elkaar van op de banken van de universiteit en ondertussen waren er al zo veel ladies nights, lunchkes, uitstapjes en slappe lach-momenten geweest.

 

Ik las ooit: als je langer dan 7 jaar bevriend bent, dan is dat een vriendschap voor het leven.

 

Maar niet alles wat je leest is waar … ze verhuisde wat verder weg. En langzaamaan werd contact houden steeds moeilijker. Het was altijd druk druk druk, we konden zelden afspreken. ‘De volgende zes maanden zit de agenda echt vol hoor’.

 

Ik brak er mijn hoofd over. Trok het me aan. Tot ik het losliet. Ik nam al die vrolijke avonden, die slappe lachjes, die fijne momenten, en legde ze tussen zuurvrij papier in een mooie doos. Die begroef ik ergens in een verre kamer van mijn hoofd. Ik wilde niet negeren dat we uiteindelijk meer dan 10 jaar goeie vrienden waren, maar ik hoefde er ook niet dagelijks aan herinnerd te worden.

 

Deze week trok ik die sollicitatieschoenen weer aan. Dat was jaren geleden. Ze lagen begraven onder een stapel kleren die ik had gestockeerd. Ik wandelde naar een afspraak, en toen ik daar vertrok, schoot er een pijnscheut door mijn teen. Buiten trok ik mijn linkerschoen uit, en ik had zin om ze uit te laten: mijn grote teen bloedde en mijn hiel had twee vierkante centimeter minder vel. Mijn beide voeten lagen gewoon open.

 

Ik dacht plots aan de hele geschiedenis van die marteltuigen, en strompelde naar de wagen.

 

Ik keilde de schoenen in de koffer, en besliste: genoeg is genoeg.

Iemand anders mag er een vrolijker verhaal mee schrijven.

Eentje met minder blaren. Op ziel en hiel.

 

IMG_0632

Thuis

Met de eerste zomerprik (tja, op één dag van 18°C naar 35° met 100% vochtigheid, dat kan prikken), arriveerden ook de vriendjes voor een lang weekend. Ze brachten de zon mee in hun handbagage, want ze zijn net als wij sinds een aantal maanden kustbewoners van de VS. Alleen is het een andere kust.

 

Toen kwamen wij tot het besef elkaar vorig jaar in juli voor het laatst gezien te hebben. Ook al voelde dat niet zo, ook al was het moeilijk te geloven, het bewijs liep joelend rond de koffers. Toen we zoveel maanden geleden in onze tuin thuis zaten te brunchen, lag hij nog niet mobiel te wezen en belletjes te blazen in een wippertje.

 

Het gesprek landde op het onderwerp dat me al even bezighoudt. Een woord dat sinds enkele maanden in mijn hoofd woont als een onvoorspelbaar insect. Het duikt op en slaat haakjes in mijn gedachten, sinds het mailtje van manlief: datum en vliegtuigplaatsen voor terugkeer vastgelegd. Of, zoals hij het zelf schreef: tickets richting ‘thuis’. ‘Thuis’. Hoeveel subtekst er alweer in zo’n kleine zwevende komma’s kan verborgen zitten.

 

Dus nadat enkele verduidelijkingen nodig bleken in onze gesprekken – bedoel je ‘thuis’ of ‘thuis thuis’? Hier thuis? Daar thuis? Allez ja, niet hier maar …– vroeg ik me af wat thuis definieert.

 

Letterlijk in het woordenboek: Je woning, waar je je goed voelt. Ook: het middelpunt van een huishouden, dierbare relaties en interesses, samen met het comfortabele en tevreden gevoel dat dit opwekt.

 

In de boutade van elke Belg: waar mijn Stella staat. Maar ik drink geen bier.

 

Voor één van de vriendjes: waar mijn spullen staan. Dus thuis is met de container aangekomen, in noppenfolie gewikkeld? Nee, … die dierbare relaties blijken toch te spelen ook. Het wordt al snel duidelijk dat het niet zo makkelijk te vatten is, en bovendien voor iedereen anders.

 

Oost, West, thuis best. Enkel West getest, dat helpt ook al niet. Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens. Onzin, het klokje is van Ikea dus het tikt ontelbaar vaak hetzelfde. In het Engels dan: home is where the heart is.

 

Aha.

 

Voilà.

 

Vanaf half augustus is mijn thuis tussen pakweg 9 en 6 een crèche die De Bijtjes heet.