Hoe beslis je of je springt?

wegwijzer

Ik ben iemand die graag plant. Ik word rustig van het overlopen van de dag, de week, misschien zelfs de maand.

Maar zei John Lennon niet ‘Life is what happens to you, while you are busy making other plans’?

 

Het voorbije jaar heb ik wel (opnieuw) geleerd dat plannen niet altijd lukt. Tijdens de behandeling heb ik er echt aan moeten wennen dat niets voorspelbaar was. ‘Zal ik dan of dan eens langskomen?’ vroegen vrienden  – en ik kon daar niet op antwoorden. Want ik wist niet hoe ik me zou voelen. MEGA. IRRITANT.

 

En nu is er een andere vraag, die al even rond zoemt. Niet alleen in mijn hoofd, trouwens. ‘Wanneer ga je terug aan de slag?’.

 

De vraag is eenvoudig genoeg. Maar het antwoord…

 

Ja, het gaat best goed met mij. Ik kom de dag door zonder dutje. Ik heb nog energiedips maar die gaan binnen een minuut of 10 over. Ik ben fysiek zeker sterker geworden. Ik zoek minder naar mijn woorden na 16u. Ik slaap weer, zoals voordien.

 

Ik ging naar een meeting van het werk, ik voelde me zo welkom. Ik kon redelijk goed volgen. Ik werd er enthousiast van.

Daarna was ik er twee dagen mottig van.

Maar heeeee….. iedereen is moe, na een zware vergadering. Toch? Iedereen is lastig na een werkdag. Iedereen heeft wel eens hoofdpijn. En nekpijn. Tuurlijk wel.

 

Ik weet niet het niet. Ik zit tussen ‘Neem toch genoeg tijd – je zit nog lang niet aan dat jaar’ en ‘je gaat toch eens moeten springen’.

 

Spring. Spring dan.

 

Nu blijk ik toch wel hoogtevrees te hebben seg.

Nooit geweten.

springnaarhetwerk

Een tsunami van gewone dingen

OK kalender. OK. Jij zegt dat het zowat eind september is. Jij zegt dat de zomer voorbij is, de herfst gaat regeren. Jij zegt dat ik vijf weken geleden terugkeerde naar mijn werk, naar mijn Belgisch leven, en dat dat tijd genoeg is om te wennen. OK, dat laatste heb je niet gezegd, niet letterlijk. Maar je lijkt het te suggereren, met je strakke datumlijntjes en je ingekleurde weekenddagen. Tijd genoeg, alles weer bij het oude.

 

Wel, ik kan je vertellen dat dat niet het geval is.

 

Ik kan je vertellen dat ik geprobeerd heb me erop voor te bereiden. Dat ik wel dacht dat het moeite zou kosten, om na een jaar terug te keren. Dat ik me schrap heb gezet.

 

Maar het mocht niet baten. Er zijn vijf weken voorbij en het voelde alsof we meegesleept werden in een tsunami. Een tsunami van gewone dingen.

 

‘Gewone dingen’ – zoals gaan werken. Zoals je kindje naar de crèche brengen. Zoals ’s avonds eten maken, je huis opruimen, je papier sorteren, familie en vrienden bezoeken. Het kost zoveel energie, om al die balletjes in de lucht te krijgen. Kleine overwinningen zijn eigenlijk zo klein dat het bijna belachelijk wordt: ‘liefste dagboek, vandaag is het eindelijk gelukt om met z’n drietjes op een redelijk uur gewassen en aangekleed op onze bestemmingen te raken (ik was wel mijn sleutels en mijn lunch vergeten maar ssssjjjt). ‘Liefste dagboek, vandaag heeft ventje voor het eerst niet geweend toen ik hem afzette aan de crèche, en ik dus ook niet’. ‘Deze week hebben we 1/5de van de hopen kleren in de kast kunnen leggen.’ ‘De elektriciteit en het gas staan eindelijk opnieuw op onze naam’. En ga zo maar door, het blijft ook maar doorgaan. Een tsunami van gewone dingen.

 

Dus ja hoor, ik ben blij dat we terug zijn. En ja hoor, ik mis Boston. De eerste weken hadden we het gevoel dat we elk moment konden terugkeren, dat we maar even op bezoek waren in België. Maar we wisten dat het voor een jaartje was, en het was een heerlijk jaartje. Ik las in een artikel dat de ‘omgekeerde cultuurshock’ bij terugkeer na een verblijf in het buitenland het ergste is. Zo erg is dat ook weer niet, maar nu probeer ik opnieuw in die plaats te passen die ik achtergelaten hebt. En het past niet helemaal meer, lijkt het. Nochtans, ik ben gewoon mezelf gebleven, niet dan?

En toch voelt het alsof je een sok binnenstebuiten aan hebt – Dat gaat wel, maar het schuurt zo met momenten.

Plant, M.D.

Ik ben een plantendokter. Ik kan het niet schrijven zonder meewarig te glimlachen. Maar toch, het is zo. Toen we na twee jaar algemene wetenschappelijkheid moesten kiezen waarin we ons zouden specialiseren, werden de verschillende richtingen voorgesteld. Voor de major plantenbescherming stond daar vooraan in de aula een man, die ik niet anders kan omschrijven dan ‘grijs’. Grijs pak, grijs haar, grijs gezicht, grijs grijs grijs. Hij stond niet graag voor zo’n groot publiek, en dat was duidelijk. Hij lichtte met zachte stem toe wat de richting inhield, en vatte het samen met de woorden: Je wordt plantendokter.

 

Ik was verkocht. Plantendokter it was.

Ik heb geen spijt van die keuze, ook al doe ik er nu niets meer mee. Maar als iemand mij een zieke kamerplant onder de neus duwt, kom ik echt niet verder dan mijn meest ernstige gezicht opzetten (lijntjes in voorhoofd trekken, duim en wijsvinger langs de kin) om dan wat te gokken: witte vlieg? Grauwe schimmel? Beiden zijn overigens vrij duidelijk: er zitten witte vliegjes op, of een grijs schimmelpluis.

 

Maar ondanks mijn beperkte kennis hou ik de inhoud van mijn bloempotjes wel in leven, wat weinigen van mijn collega’s kunnen zeggen. Hun plantjes zijn meestal van de categorie ‘krokant’. Dus toen ik vertrok voor 16 maanden, zocht ik een betrouwbaar iemand waarbij de drie plantjes mijn afwezigheid zouden overleven.

 

En toen ik vorige week opnieuw op kantoor kwam, stonden er wel zeven plantjes op mij te wachten. Mijn collega had er eentje in twee gesplitst vanaf de wortel en beide delen hadden dat geweldig goed verdragen. Die actie was zelfs nog een paar keer herhaald, zodat ook op de gang nu nakomelingen van mijn plantjes stonden te pronken.

 

Dat beetje groen, dat hielp wel wat in een week waarin het vooral zoeken was. Zoeken naar orde, naar routine, naar manieren om ons alle drie op tijd fris en aangekleed te krijgen ’s morgens. Een dag achter een bureau doorbrengen, hoe moest dat ook alweer? En ons ventje achterlaten bij de crèche, wat hij niet leuk vindt, en ik nog minder, zeg nog eens waarom we dat deden? Ik vertrok wat vroeger op het werk en was zelfs een beetje nerveus om hem weer op te pikken. Hij was zo flink geweest, zeiden ze, had goed geslapen en fijn gespeeld. Drie uur later lag hij alweer te pitten. Drie uur met het zoontje dus. Het overviel me. Eén achtste van elke dag.

 

Wat wenste ik dat ik me in twee kon splitsen als dat plantje.

 

5359281_orig

De grote oversteek- de laatste dag

Het stof is neergedaald en de bagage iet of wat gesorteerd. De jetlag is verteerd, samen met een goeie portie mosselen met frietjes, lekker brood en vers vleesbeleg, de beste chocoladekoek EVER, en véél snoep allerhande.

 

Voldoende rust en ruimte om terug te kijken naar de meest hectische dag van het jaar – tot dusver dan. 21 juli. De laatste dag in Boston.

 

Om die dag, die een week leek te duren en toch vooruit vloog als een specht op speed, te beschrijven, is één woord voldoende: CRAZY! Het is van een examenperiode in ver vervlogen tijden geleden dat ik nog zo gezweet heb van de stress.

 

We begonnen ’s morgens vroeg met het opruimen en uitzoeken. We hadden al ingezien dat we behoorlijk streng zouden moeten sorteren in kleren en speelgoed en… in alles eigenlijk, om alles in onze koffers te krijgen. Icelandair biedt aan transatlantische reizigers de optie om 2 grote koffers per persoon (tot 23 kg) mee te nemen. Wij kochten ook een stoel voor ons ventje, vooral om wat meer comfort te hebben, al zat hij op onze schoot. Met ons drietjes konden wij ons dus 6 grote koffers veroorloven. Daarbij kwamen de 3 trolleys van de handbagage. En na onze eerste schifting besloten we nog 1 extra grote koffer mee te nemen.

 

Voor alle wenkbrauwfronsers: bedenk wel dat wij àlles in te pakken hadden. Onze kleren, van zomerkleren tot de grote dikke donzen jassen die we hier hebben gekocht. Van sportschoenen tot stevige stappers tot sandalen. Lakens, dekentjes, bad- en keukenhanddoeken. Laptops, fototoestel, radiootje, en alle opladers en elektrische draden die je gemiddeld in huis hebt. Een groot deel van het speelgoed, van blokjes tot muzikale werkbankjes. Ik lijst het nu wel mooi op, maar het bleek dat ook wij dit VOL-LE-DIG onderschat hadden.

 

Maar goed, de laatste dag dus. Om 11u kwam Ursula langs, een kennis van me, die zo vriendelijk was ons haar hulp en auto aan te bieden voor de laatste verhuis. Want hoewel manlief het vorige weekend het grootste deel van de meubels uit elkaar had gevezen en naar onze gehuurde opslagruimte had gebracht, waren er toch die laatste spulletjes, waarmee we de voorbije dagen hadden gekampeerd: twee opklapstoelen, wat potten en pannen, een dun matrasje, één lampje… het nam nog behoorlijk wat plaats in. Om concreet te zijn: 95% van de vrije ruimte in haar auto. Met de stofzuiger op mijn schoot reden we naar de opslagplaats. Daar was ik o-zo-blij met de uren die ik vroeger aan Tetris heb verspeeld, want we kregen er alles nét in. Ook de fles champagne die we aan onze Deense kopers lieten om hen te verwelkomen in de stad die ons een jaar een thuis bood. (Dat was ook een pragmatische zet, als ik eerlijk mag zijn. Vreemd hoeveel flessen drank je krijgt op een afscheidsfeestje, terwijl het toch duidelijk is dat die niet mee over de plas gaan en wij de laatste dagen in Boston niet wilden doorbrengen in een staat van permanent delirium).

Na een stop in een supermarkt, startte Ursula’s auto niet meer. Gezien de to-do-lijst van de dag, zat er niets anders op dan afscheid nemen op de parking en te voet naar huis wandelen. Waar Het Grote Inpakken kon beginnen. Eitje, volgens manlief. Alles lag immers al òp de koffers. Alleen raakten die niet snel dicht. Wat volgde, was een urenlange dans van inpakken, uithalen, proppen, afwegen, wegleggen, …het leek eindeloos. Steeds meer spullen belandden op de ‘hier laten’-stapel. En nog geraakten de koffers niet dicht. Ondertussen diende ons ventje natuurlijk ook geëntertained te worden, want hij vond het allemaal maar raar en wilde liever rondlopen dan op een koffer zitten. De temperatuur rees met de wijzers van de klok, letterlijk en figuurlijk.

 

Ik moest het geleende reisbedje nog terugbrengen naar een kennis, en nam een Uber om er sneller te geraken. De modem moest nog terug naar de winkel, maar de overbuurvrouw bood aan dit in orde te brengen. Ja, enter onze overbuurvrouw, Maleia. Onze reddende engel.

 

Maleia’s verhaal is lang en aangrijpend. Kort gezegd: zij verhuisde een halve week voor onze laatste dag naar het appartement tegenover ons, en had meubels nodig. Jammer dus dat wij haar alleen nog maar onze zetel konden verkopen, want die verhuis naar de andere kant van de gang was nét iets makkelijker. Zij blijft een jaar in Boston, om met haar jongste dochtertje van 7 maanden dichter bij het kinderziekenhuis te zijn. Want Caroline heeft een potentieel dodelijke aandoening, die twee jaar geleden ook al het leven kostte van haar broertje.

 

En toch was Maleia een vrolijke, lieve vrouw, die aanbood ons vuilnis weg te brengen, de achtergelaten kleren te sorteren en weg te geven, en zelfs – omdat we in complete tijdsnood raakten- de koelkast leeg te maken. Ze hield zich bezig met ventje toen wij rond 17u steeds driester dingen uit onze stapels begonnen te trekken om achter te laten, meer en meer overtuigd dat we dat vliegtuig nooit zouden halen. Dat onze chauffeur die we op voorhand hadden geregeld, en die ons om 17u45 zou ophalen, om 17u40 sms’te dat hij een platte band had, hielp hoegenaamd NIET. Maar Maleia bleef rustig en verzekerde ons dat zij alles zou regelen, wat wij niet geregeld hadden gekregen. Ik vond het vreselijk om ons appartement in zo’n staat van chaos achter te laten, ik kon wel janken, maar er zat niets anders op. Maleia krijgt nog een gigantisch pak Belgische chocolade opgestuurd als bedankje.

 

We hadden uiteindelijk twee taxi’s nodig om onze berg spullen naar de luchthaven te krijgen. Die berg? Zeven grote valiezen, vier handbagage trolleys, twee rugzakken, een grote luiertas, een buggy en een autostoel. Ik zat alleen in de tweede taxi en stortte mijn hart uit bij de vrouwelijke chauffeur. Ik had een half uur tot aan de luchthaven om te stoppen met trillen.

bagage

Dat bleek voldoende. Een vriendelijk klapke met de dame aan de incheckbalie en een lachje van ons ventje, en we moesten maar voor één extra koffer betalen (de extra trolley werd door de vingers gezien). We raakten vlot door de security, konden zelfs nog een pizzaatje eten en stapten gepakt en gezakt op het vliegtuig. Dat half uur vertraging kon me zelfs al niet meer schelen. We hadden het gehaald. Wat we achterlieten, zijn maar spullen. Spullen zijn te vervangen. Herinneringen niet. En die zijn ongelimiteerd mee te nemen.

 

De Boston skyline is heel mooi, ook ’s nachts. Ik keek uit het raampje, dan naar manlief. Dat was het dan, lieve schat. Wat een crazy dag. Wat een crazy jaar. Maar wat een avontuur.

 

Kamperen

Twintig. 20 jaar. Het is met een mengeling van trots en schaamte dat ik het steeds toegeef. Ik was 20 toen ik voor het eerst in een tent sliep. Mee op het scoutskamp als fourier om bij manlief, toen nog ‘nieuw lief’, te zijn. Nadat die mij had uitgelegd wat een fourier doet, uiteraard. En met de plechtige belofte dat ik niet zelf moest koken, enkel voor de boodschappen zorgen. Zo werd de kans op ondervoeding van de scoutsmeisjes en –jongens of overbezetting van de HUDO sterk gereduceerd (en ja, hij heeft me ook moeten uitleggen wat de HUDO was. Waarop ik steeds zorgde dat ik het toilet van de winkels opzocht, bij het boodschappen doen). Nee, koken was toen niet mijn sterkste punt – al heb ik die week wel een schitterende schotel spek-met-ei gemaakt.

 

Maar dus, over dat kamperen. Niks voor mij. Ik heb die twee weken verschrikkelijk kou geleden, enerzijds door onze heerlijke Belgische zomer, anderzijds omdat ik geen geschikte slaapzak had, en letterlijk alle kleren die ik bij had, over elkaar aandeed, om dan nog steeds al klappertandend te wachten tot ‘nieuw lief’ opdook van de totemisatie of het nachtspel. Ja, een mens ziet af voor de liefde. Hij begreep als snel dat een trektocht met kamperen niet tot de mogelijke koppelvakanties behoorde. Zeulen met een rugzak, niet kunnen douchen en dan een beetje rugpijn opdoen op een koud matje? Zelfkastijding. De zevende cirkel van de hel, ik zeg het.

 

Maar toch zijn deze laatste dagen behoorlijk kamperen. Ons volledige hebben en houden wordt uiteen gevezen en ingepakt, om gestockeerd te worden tot half augustus. Dan neemt de Deense familie, die we niet kennen en waarschijnlijk nooit zullen ontmoeten, ons hele Bostoniaanse leven over. Ze zullen het ontdekken in dozen, tussen krantenpapier en bubbel wrap. Ventje slaapt in een reisbedje en wij op een dun matrasje op de grond. We eten aan het bureautje. We hebben nog 1 lampje, 1 kookpot, 2 borden en 3 kopjes. En 1000 herinneringen. En zin om naar huis te gaan. Dat laat zich niet verpakken.

Cocoon

Niet storen aub’.

In de dagen en weken nadat ons ventje geboren was, voelde het alsof ik een groot bord aan de deur wilde hangen. Of rond ons huis. Of aan mijn nek. Met ‘niet storen aub’. Ik weet wel dat dit niet ongewoon is, zelfs niet meer dan normaal, dat je tijd nodig hebt, met je vers uitgebreide gezin. Om een nieuwe evenwicht te vinden, om elkaar te leren kennen. Om eenvoudigweg een paar uur vol ongeloof naar die kleine wereldburger te staren. Om te wennen. Maar voor mij, extraveel extravert, was het een ongekend gevoel.

 

Natuurlijk wilde ik wel wat bezoek. Het was zo fijn te zien hoe mensen instant verliefd werden op wat uiteraard de mooiste baby van de wereld was. Maar daarna mocht er weer tijd zijn voor ons drie, met twee pluizige viervoeters die het af en toe aandurfden zich naast ons in de zetel neer te vleien. De definitie van gezellig.

 

Ik had het al zo vaak gezien bij vrienden en vriendinnen, dat ze post baby een paar maanden van de radar verdwenen, voor ze weer actief contact zochten. Maar het was weer zo één van die typische dingen, die je nooit helemaal begrijpt voor je ze zelf mee maakt.

 

En toen, toen we bijna klaar waren om uit ons coconnetje te komen, toen verhuisden we, naar de andere kant van de oceaan. En onze agenda, die wist niet wat hem overkwam. Die eerste maanden van 2015 was het gewicht van de afspraken amper te dragen: doktersbezoeken, zaken regelen rond de zwangerschap, de baby, de babyborrel en doop, de verhuis, informatie krijgen over tijdskrediet, bevallen, het ziekenhuis, de beurs van manlief, het zoeken van een housesitter, alles rond het appartement dat we tegelijk nog aan het bouwen waren, afronden van projecten op mijn werk, afscheid nemen,… (er zitten nog 104 andere dingen achter deze drie puntjes verborgen). Regelen. Lijstjes. Alles goed, maar druk druk druk (zo hoort het toch?). Ik vond dat allemaal wel OK. En dan: de verhuis.

Alles.viel.weg.

 

Hobbies vielen weg. Sport viel weg. Vaste familiebezoekjes vielen weg. Koffie met de buurvrouwen viel weg. Afspreken met vrienden viel weg. Iets gaan drinken met de collega’s viel weg.

 

Wat bleef, waren wij drietjes. Tijd voor ons. Zo werd het appartement in Brookline ons nieuwe coconnetje.

 

Ken je dat gevoel dat je een liedje hoort en denkt: hoe kan dat nu, dat gaat over mij. Zo gek.

 

Dat is ‘Quiet little place’ van K’s Choice.

Zo gaat dat:

 

“Quiet Little Place”

In this quiet little place

I can’t remember having known a different pace

In this quiet little place

I can surrender to the beauty of its face

And now everything I see

Whether it’s an airplane or a tree

It makes me wonder

About the things I must have missed

And the chains around my wrists

They are no longer

In this quiet little place

I can’t imagine what it’s like to be back home

Where they care about what time it is

And spend their days answering the phone

And now everything I feel

Whether it’s fiction or it’s real

It’s so much clearer

Like the color of this light

It seems more dangerous and bright

But I don’t fear her

And slowly it fades, I’m back in the race

I have to fight it, I know

I don’t want to go away

In this quiet little place

You run your fingers through my hair and whisper “Hey”

And no matter how I try

I can’t seem to think of anything better to say

 

 

Tijd om uit ons coconnetje te komen, en naar huis te vliegen. Ik denk dat ik niet langer Rupsje Nooitgenoeg ben. Dus ja…Wie weet…  zijn we misschien een vlinder?

rupsje_20nooitgenoeg_20groot

De meubels redden

“De meubels redden”. Aan dit gezegde heb ik de laatste dagen vaker gedacht. Om héél verschillende redenen, dat wel.

 

Ten eerste. Onze verhuis komt eraan. Met rasse schreden stappen wij over dagen en weekends, de 21 ste juli nadert. Dat betekent heel wat inpakken. Maar aangezien wij met louter met koffers zijn toegekomen – toegegeven, een berg koffers waar manlief met zijn 192 cm volledig achter verdween – vertrekken wij ook met louter koffers. Wat wil zeggen dat al onze meubels én onze huisraad (denk – alles wat er los zit in je keuken, van vorken over toaster tot de wokpan) verkocht moeten worden.

 

We vroegen wat rond, wij verspreidden het nieuws, en enkele mogelijke geïnteresseerden doken op. De babysit, die met vier anderen gaat samenwonen in een ongemeubeld appartement. Haar ouders, die net een huurhuis hebben gekocht en dat willen uitrusten. De makelaar die korte termijn-appartement moet bemeubelen. Het werd telkens niets, om allerlei redenen (bijvoorbeeld: de makelaar beweert amper budget te hebben en zoekt nu achtergelaten meubels op straat. Het wordt duidelijk waarom haar flats voor korte termijn zijn).

 

Ik postte alles nauwkeurig op Craigslist, de tweedehands site, en beantwoordde alle mails die binnen kwamen. Vaak was al meteen duidelijk dat het niets zou worden (‘Zou je ook 20 dollar aanvaarden voor je sofa’s?’ ‘Zou je me één zitkussen van de grote sofa kunnen verkopen?’.) Ik voélde het haar op mijn hoofd witter worden.

Hoe zouden we onze meubels kunnen redden van de straat?

 

Ten tweede. Donderdagnacht, iets over één. Het brandalarm piept, alsof de batterij weer leeg is. Manlief staat op om er korte metten mee te maken. Hij opent de deur naar de gang en ik hoor klateren. Ik kan het geluid met mijn slaapdronken kop niet thuisbrengen. Klateren? Is er iets mis met de airco? Is er gevaar, is er actie nodig? Ik kruip toch ook het bed uit, meteen klaarwakker bij het zien van een waterval, vanuit de lampen en de scheuren in het plafond in de gang. Ettelijke liters stromen de gang in, door het vast tapijt, door de houten vloeren, naar de onderburen, die nu buiten met manlief staan te praten. Moeten we ons appartement uit? Moeten we de meubels redden?

 

Het bleek een gebarsten leiding bij onze bovenburen en tot drie verdiepingen lager hebben we daarvan mogen mee genieten. De emmers kwamen te laat, het tapijt had zich volgezogen en bleef nog drie dagen zompig. In de badkamer, waar de douche zich voor één keer niet in het bad bevond, heb ik de tandenborstels e.d. maar weggegooid. Geen van onze meubels liepen ook maar enige schade op. En nog beter: ventje is niet wakker geworden.

 

Maar zoals Erik dat zo mooi kan zeggen: ’t is gebeurd!

Met dank aan een Belgische vriendin die op de koffie kwam, en zich plots herinnerde dat een bevriend koppel Denen in augustus naar Brookline zou verhuizen. Een mailtje, een skype sessie en wat info rondsturen later, was het overgrote deel van onze spullen verkocht.

De meubels zijn gered. Alweer een stap dichter bij thuis gezet.

Mooie vragen

‘Wat is het eerste dat je gaat doen als je terug bent, je weet wel, buiten tijd spenderen met familie en vrienden?’

OH. Oh oh oh. Wat een mooie vraag. En zoals een prof me ooit zei: een student zegt ‘wat een mooie vraag’ omdat-ie het antwoord kent, maar later zeg je ‘wat een mooie vraag’ omdat je het antwoord niet (meteen) kent.

 

Tijd spenderen met familie en vrienden, is uitgesloten als antwoord (’t is een strenge hoor, die vraagstelster). Het is nochtans het eerste (en tweede, derde en vierde) dat in me op komt. En misschien is de vraag eerder ‘wat wil je doen’ en niet, ‘wat ga je doen’. Wat ik ga doen is niet zo lyrisch. Uitpakken. Wassen. Opruimen. Boodschappen doen. Enige orde in de chaos van onze slaapkamer en kelder trachten te scheppen (waar al onze spullen opgeslagen zijn). God heeft dan wel het goede voorbeeld gegeven, ik ben vrij zeker dat ons dat niet lukt in zes dagen. God had dan ook geen jetlag.

 

Maar wat wil ik doen? Ik wil me daar goed voelen. Ik hoop dat het als een oude, vertrouwde pantoffel mag zijn- je was vergeten hoe comfortabel die zat, perfect rond je voet gevormd, tot je het nog eens probeert. Oh ja, denk je dan, dat past. Ook: ventje het huis laten ontdekken. Voor hem zo goed als nieuw, dat huis, want hij woont ondertussen meer dan twee keer zo lang in de VS dan hij in België was. Hem voorstellen aan onze katjes. Toen hij minder dan vier maanden was, konden ze hem letterlijk links laten liggen, en in een boogje rond het wippertje huppelen. Nu zal onze crosser zich niet meer laten negeren.

 

Naar de bakker gaan. Alle koffiekoeken opkopen. Ik eet normaal niet eens eclairs, maar wil nu gerust een uitzondering maken. Betaalbare kaas op tafel zetten. Filet de saxe. MOSSELEN! Echt lekkere frietjes. Andalouse saus.

 

In mijn eigen bed slapen. Met mijn eigen kussens. Manlief is ook toegelaten. En baby ook, als-ie niet meteen kan wennen. Of als wij dat niet kunnen.

 

Kortom:

Wat ik wil doen, is thuis komen.

Goede voornemens- the sequel

Dag chocola. Dag cécémel. Vaarwel pralientjes. Dag mignonettes, matinettes en ferrero’s. Saluut American cookies. U zal gemist worden.

 

Neen, het is geen vrije adaptaties van ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ van Paul van Ostaijen. Het is me mentaal voorbereiden op de volgende van mijn goede voornemens.

 

Na eeuwen puntjes te tellen moet ik toegeven dat dat het laatste jaar niet aan de orde was.

lasagne

Bron: pinchofyum.com

Niet dat ik de gezonde keuken helemaal vaarwel zei, verre van. Ik moet nog altijd lachen bij het lezen van de meeste Amerikaanse recepten die ik uitprobeer. Voor zes personen, met in het totaal een ajuin en één paprika? Juist. Of de Skinny spinach lasagna, 12 porties, met wat – na het omrekenen- 150g spinazie bleek te zijn. Laat ik me daar even beroepen op de vrijheid van de chef, en de porties groenten fenomenaal de hoogte in jagen.

 

Ook nam ik elk recept dat zichzelf prees als ‘geweldig gezond’ met een korreltje zout – en klein korreltje, want je weet, in het land waar de helft van de producten een ‘reduced sodium’-label draagt, willen we vooral niet overdrijven.

 

Tel daarbij een energieke edoch risicoblinde zoon en de kilo’s bleven, ondanks de verminderde focus, vrij goed onder controle. Maar alles kan beter, nietwaar? En met onze grote oversteek in het verschiet, leek het me mooi een tandje bij te steken. Door een tandje minder in de chocolade te steken, bijvoorbeeld. Hoe lang? Ik zal beginnen met 40 dagen. Mijn eigen ‘vasten’. Da’s haalbaar, overzichtelijk en concreet. Als einddatum neem ik de dag dat we weer voet in ons Belgenlandje zetten. Dan moet een pralientje kunnen, toch?

 

Ik begon dus terug te tellen vanaf 21 juli – ja, we vertrekken inderdaad op de Nationale Feestdag! Laat ik eerlijk zijn, het was eerder ingegeven door het 500 dollar prijsverschil met 22 juli, dan door een onweerstaanbaar patriotistisch eergevoel. 40 dagen terug. Mijn gezicht moet geweldig geweest zijn, toen ik besefte waar ik toen terecht kwam.

 

Op 12 juni.

 

HOEZO zijn we op 40 dagen van de oversteek? WAAROM ben ik dan nog altijd stoer aan het verklaren dat we nog zeven weken Boston hebben? WAAR heeft mijn kalender, dan wel mijn halfslapend brein, mij in de steek gelaten? (Oh ja, dat is nog zoiets, ik heb een walvisbrein. Walvissen zijn ongelooflijk cool, ’s nachts blijft één hersenhelft waken, terwijl de andere helft slaapt. Een conditie die bij mij helaas ook optreedt als ik wakker ben).

OK. Rustig blijven.

Tijd om:

  • Hier alles kristisch te bekijken, wat mag mee, wat niet?
  • Meer koffers te bestellen via het internet, want wat mee mag, is behoorlijk wat
  • De Boston bucket list aan een grondig onderzoek te onderwerpen
  • De lijstjes te beginnen.

 

Oh kijk. Dat laatste ging al vlot.

 

Spijtig spijtig spijtig (2)

  • Dat ik nog steeds niet helemaal de vergelijking kan maken tussen Belgische en Amerikaanse melk. ‘Half and half‘, tot daar toe. Maar 2%, 1%, fat free, skimmed… ? (keuzestress)
  • Dat een maandabonnement voor de fitness 110 dollar kost. En zes weken persoonlijke begeleiding 525 (maar met de coupon nog maar 495!)
  • Dat kinderkledij hier steevast de schattigste opschriften heeft en dus enorm moeilijk te weerstaan is (“Mom’s cute. I’m cute. Dad’s lucky”).
  • Dat ik nu officieel geen enkel kledingstuk meer heb zonder hardnekkige vlekken. Ooit was het anders (wanneer beginnen de solden hier?)
  • Dat ik dacht dat die oudere man een oorapparaatje had, maar hij eigenlijk handsfree aan het bellen was (Tja. Ofwel praatte hij gewoon tegen zichzelf, ook een optie)
  • Dat ik niet terug naar België wil/graag terug naar België wil/nu nog niet naar België wil/ nu meteen naar België wil/ (Repeat)
  • Dat veel mensen best wel negatief doen over onze terugkeer: ‘Ai ai terug naar het gewone leven’, ‘dat zal afzien worden’, ‘het mooie liedje is gedaan’, ‘terug naar saai en koud Vlaanderen’ etc etc. Lighten up people! ( Kan je wennen aan wennen? Maar worst things have happened dan dat wij naar huis komen)
  • Dat nu wetenschappelijk is vastgesteld dat er géén manier is om de buggy de trappen af te krijgen zonder je onderrug op zijn minst aardig te verrekken ( Auw. En nog eens auw).
  • Dat een baby die op je lijf trommelt met een houten blokje het dichtste is dat ik al  geraakt ben bij een therapeutische massage (even m’n verbeeldingskracht gebruiken)
  • Dat de uitspraak ‘sleeping like a baby’ mij nog altijd luidop doet lachen (whoehhaha – daar ga ik weer).