Zoondag #4: peuterpraat

Je hoort het zo vaak over jonge kinderen: dat ze ofwel eerder motorisch sterk zijn, of eerst taalvaardig worden. Ons mannetje is er eentje van de motorische ontwikkeling. Op 12 maanden zette hij zijn eerste stapjes en het leek een seconde later dat hij sprintte, bochtjes nam, dingen van de grond oppikte, achteruit stapte, hurkte, en sprong. Toen hij de trap begon op te lopen, was dat meteen met één been op elke trede (en dus niet door de tweede voet ‘bij te zetten’). Als hij een bal gooit, is dat gerichter dan zijn mama dat kan (die werpt dan ook écht als een meisje, tssss, niks mee aan te vangen).

 

Zijn beste vriendje in de crèche, een goeie maand ouder dan hij, verbaasde me dan weer keer op keer met zijn uitgebreide woordenschat. Onze man begon net iets verder te raken dan ‘papa’ en deze jongen wees aan in een boekje met dieren: ik was al helemaal onder de indruk na koe, hond, kat, en paard, maar viel bijna achterover door ‘panda, koala, flamingo, olifat en neushoon’.

 

Zo zie je maar, elk kind is anders. Ik maakte me geen zorgen, maar begon wel uit nieuwsgierigheid een lijstje met de woordjes die zoonlief gebruikte. Het bleek een veelvoud te zijn dan de tien die ik spontaan zou schatten.

 

En dan opeens: de klik. Onder de douche vroeg hij ‘noh wate’ om over zijn hoofdje te gieten. Twee of drie woordjes komen plots bij elkaar te staan. Elke dag komen er nieuwe boven, het is niet meer bij te houden. Hij verrast ons keer op keer.

 

Nu kan ik de nieuwe rubriek starten waar ik al even naar uit keek: een greep uit wat ons peutertje zegt. Toddler talk, of te wel: peuterpraat.

 

  • Nog-isch, mama: dat graag opnieuw doen, mama
  • Boemetjeu pukken: met een madeliefje in elke hand, kom je door het hele land!
  • Noh pietse: het tiende toertje rond het plein op de loopfiets
  • Boempataat: ik ben gevallen maar het is niet erg
  • Tein me otto! Een t(r)ein is altijd reden tot vreugde, maar als die trein dan ook nog eens auto’s vervoert… tja, je begrijpt dat dat feest is.
  • (armen in de lucht) JEEEEEEE pasjtaa: hij is fan van spaghetti, zoveel is duidelijk
  • (half zingend) Hi hi hi , ha ha ha: mijn zoon zit af en toe duidelijk te denken aan beren die broodjes smeren.
  • (met zijn handen aan zijn voeten) Tee! Noh e tee! Nog e tee! E noh e tee!: een mens heeft nogal wat tenen.
  • (wijst op zichzelf) ‘Ti’: antwoord op ‘wie is mama’s beste vriend?’. Aangezien het deel van zijn naam is, denken we dat het eerder een afkorting is, dan een andere vorm van ‘ik’.
  • (tegen papa) Mama pipi edaan: blijkbaar belangrijke info die gedeeld moest worden. Geen mysterie meer in je relatie eens je een peuter hebt rondlopen.

 

Unknown

Zondag zoondag #2

Wie ons kent, weet dat wij geen mensen zijn van weinig woorden.

Ze zeggen wel eens ‘tegenpolen trekken elkaar aan’, maar zowel manlief als ikzelf leggen het heel graag uit. Het is dus niet zo dat ik een stille jongen heb gezocht, die alleen naar mij zou luisteren.

Ik weet eigenlijk niet zo heel veel van toen ik klein was maar ik weet wel dat ik behoorlijk snel aan het tetteren ben geslagen. In één van de weinige video’s die ik heb van die tijd, worden mijn zussen gedoopt. Ik weet dus precies hoe oud ik toen was, 2 jaar en 2 maanden. Je ziet de kerk, je ziet twee kindjes in witte kleedjes, de priester, die mijn grootnonkel was, die een potje water haalt, familie in jaren ’80 kleuren… en je hoort één iemand: een klein, schel stemmetje dat roept ‘Is dat panneke van mama, nonkel?’. ‘Is dat warm water?’.

Nu ik me iets verder ben gaan verdiepen in de taalontwikkeling van jonge kinderen, besef ik dat dit best aardige uitspraken zijn voor een tweejarige.

Ons ventje is nog niet meteen wat je zou noemen een vlotte babbelaar. Ik maak me daar ook geen zorgen over. Maar natuurlijk keken we een jaar geleden al uit naar wat zijn eerste woordje zou zijn. Hoeveel uren zou ik niet ‘ma-ma-ma-ma-ma’ en ‘pa-pa-pa’ voorgedaan hebben?

Maar beginnen met de belangrijke zaken in het leven, zijn eerste woordje was ‘bal’.

Er volgden er heel wat, maar ‘mama’… dat woord dat algemeen bij kinderen over de hele wereld zo bekend is, dat bleef zeldzaam. Soms eens een ‘ma’, daar moest ik het dan mee doen.

Misschien deed hij dat wel expres, die zoon van ons. Om het dan toch boven te halen en extra effect te creëren. Zoals die ene keer dat hij niet echt wilde gaan slapen, en maar bleef rechtstaan in zijn bedje. Hij sliep toen nog bij ons op de kamer. Ik kwam zelf ook naar bed, en na de zoveelste keer kusje geven, neerleggen, slaapwel zeggen, wilde ik het kordaat aanpakken. ‘Nu ga jij in jouw bed, en mama in haar bed, en we gaan allebei slaapjes doen’. Hup, lichtje uit.

En dan in het donker, voor het eerst, dat kleine stemmetje, glashelder, een beetje vragend maar vrolijk: ‘mama?’.

Hoe snel die bij ons in bed lag, helemaal bedolven onder een regen van kusjes? Lichtsnelheid, echt lichtsnelheid.

Nu heeft hij zijn repertoire aan woorden behoorlijk uitgebreid, maar ‘papa’ spant toch de kroon. Ik was soms ook ‘papa’ of hij riep gewoon ‘iets’ – een beetje te vergelijken als je iemand wilt wenken, maar de naam van de persoon in kwestie vergeten bent (en ‘dingske’ geen optie is): ‘Hey, euh… joehoe! Heeeeey’.

Waar is mama? Wijst mijn kant uit. Waar is de neus van mama? Neemt mijn neus vast. Ga dat maar aan mama geven. Ik krijg een half opgeknabbeld stukje brood.

Dus toen hij gisterenochtend naar mij kwam gestormd, op zijn eigen huppelende wijze, en MA-MAHH riep, huppelde er vanalles in mij. En toen hij dat nog een paar keer herhaalde toen we in de Ikea rondliepen, en ik weer in zijn vizier verscheen, kon mijn geluk niet op.

Ik weet wel, dat ik ooit, in een niet zo verre toekomst, waarschijnlijk eens zal wensen dat hij het niet kon zeggen. Bijvoorbeeld na een uur MAMAAAAAA MAMAMAMAMA gillen, of de vijfde keer midden in de nacht, ofzo.

Maar toch blijft het het mooiste woord ter wereld. En mijn ventje zegt het. Tegen mij.

Mama-1.0

November

Ik zal het maar bekennen: ik haat november. Wat een rotmaand is me dat, zeg. Alvast mijn excuses aan iedereen die dan jarig is, ik wens je van harte een geweldige dag, en jij kan het ook niet helpen dat je die maand ter wereld kwam.

 

Maar verder is het koud, nat, triest en vreselijk donker. Donker als ik ga werken, en donker wanneer ik weer thuis kom. Misschien glijd ik wel uit op wat dode bladeren of die eerste vorst die me tien minuten vertraging oplevert in de ochtendrush, omdat ik niet meer weet waar we het krabbertje hebben gelaten.

 

De herdenkingen lopen een hele maand door. Al denk ik wel vaker aan de mensen die ik mis, en mis ik wel vaker de mensen aan wie ik denk, in november krijgt dat toch weer zo’n triest randje. In de regen naar de begraafplaats, merken dat je nu écht die wintertruien moet opduikelen, alweer opstaan met keelpijn en een lopende neus en met momenten moeten opboksen tegen een gevoel van complete ontreddering…

 

Neen, tussen november en mij komt het niet meer goed. De relatie is permanent beschadigd en er is geen therapie meer aan te slepen.

 

Was er dan helemaal niets vrolijks te beleven? Dat klopt nu ook weer niet.

 

Ons ventje, niet echt een grote prater, begint steeds meer woordjes op te pikken. Nu, hij snapt duidelijk al heel veel, maar hij begint steeds meer woordjes te gebruiken. Ik had nooit verwacht wat een golf van enthousiasme me zou overspoelen, vanwege iets eenvoudigs als naar zijn loopwagentje wijzen en ‘otto’ zeggen. Of hoe waanzinnig cool ik het vond dat hij opeens wél antwoordde op de vraag ‘wat doet de hond’ (‘wa wa wa’). Geniaal. Ons kind is gé-ni-aal. Gelukkig ben ik objectief. Wetenschapper en zo, weet je wel.

 

Het jongste nichtje werd gevierd met een vrolijke babyborrel, en ik had – misschien iets te overmoedig, waarschijnlijk had ventje net ‘aaitje’ geroepen naar de kat – beloofd om twee versierde taarten te maken. Het plan was onszelf te overtreffen, en ik denk dat dat gelukt is. Het werd een biscuit met chocolademousse en chocoladeganache met als thema ‘varkentjes in de modderpoel’ en een biscuit met mascarponecrème en bananen. Die laatste werd met suikerpasta omgetoverd in ‘Bobke’, een minion. ‘Bobke’ was de werknaam van het jongste nichtje, die eind augustus een Bobetje bleek te zijn.

 

Dat ik helemaal in ‘moederkloek-de-fiere-hen’-modus ga als mijn zoon alweer duidelijk aantoont dat hij gewoon DE BESTE PEUTER EVER is, dat mag niet verbazen. Ik heb het van geen vreemde. Maar het is me een raadsel hoe het in mijn genetisch materiaal is gesukkeld dat ik bak om de regen en duisternis te verdrijven – buiten of in ’t koppeke.

 

Hoe dan ook draaide de oven in november overuren.

Gelukkig heb ik een prachtige liefdesrelatie met december. Welcome, honey!