De collega’s

Ik verliet het restaurant waar we net een gezellige avond hadden doorgebracht met z’n zessen. Twee dames die ik nog dagelijks zie op kantoor, drie bij wie dat al even niet meer het geval is.

Ik heb al enkele jobs achter de rug, en bij elke job horen collega’s. Aangezien je die mensen gemiddeld meer ziet dan je halve trouwboek, is het niet meer dan normaal dat je daar een band mee opbouwt. Maar kijk, dat is elke keer toch héél anders gegaan.

 

planner

Mijn eerste job was een jaarcontract bij de federale overheid. Ik was 23 en de gemiddelde leeftijd van mijn collega’s was dubbel zo hoog. Uitspraken als ‘nog 11 jaar en ik mag met pensioen’ vrolijkten de koffiepauze op. Over het algemeen lieve mensen hoor, die mij aanraadden snel ander werk te zoeken. Dat heb ik dan ook gedaan.

 

Ik begon aan mijn onderzoek aan de universiteit, en daar werkten – buiten de professor – alleen mensen die ongeveer mijn leeftijd hadden. Toch was dit kleine team heel anders dan ikzelf; het was bijvoorbeeld perfect mogelijk twee weken op vakantie te vertrekken en bij terugkeer vroeg niemand hoe het geweest was. Er werd zelden samen gegeten. Pas jaren nadat ik daar vertrok, heb ik echt contact gekregen met twee collega’s van toen, die ik nu als vrienden beschouw.

 

Later had ik een job waar ik op het randje van een bore out belandde, maar de collega’s waren super. Alleen werkten we in een uithoek waar niemand echt in de buurt woonde, dus iets gaan drinken na de uren zat er helemaal niet in. Van de pakweg vijf mensen die ik toen als (bijna-) vrienden beschouwde, hoor ik er nu nog eentje geregeld. Maar da’s wel een ‘goeike’.

 

Dat is misschien wel de algemene les: waar ik werkte, had ik steeds een goeie ‘klik’ met een heel aantal mensen, maar eens je elkaar niet meer elke dag ziet, blijft er niet veel volk over. Een paar keer heb ik mij daar zwaar in vergist, dacht ik ‘wij spreken zeker nog af’ en verdwenen ze van de aardbol. Ik heb geleerd niet te veel te verwachten. Aan de andere kant mag ik niet klagen, en heb ik een handvol vrienden overgehouden aan mijn vroegere jobs.

 

Op dit moment zit ik, wat collega’s betreft, in een hele fijne situatie: het is echt een toffe bende die de leuke momenten samen viert, en elkaar steunt als het wat moeilijker gaat. Mensen die vertrekken, houden vaak toch nog contact, en melden dat ze onze hechte groep missen (of misschien horen wij dat gewoon graag, dat kan ook). Toen we een jaar in Boston woonden, kreeg ik geregeld een mailtje of een berichtje.

 

Eigenlijk is dat toch toevallig – dat je op je werk mensen tegenkomt met wie het klikt. Dat maakt de maandagochtend (en de dinsdagochtend, en de woensdag en de ….) in elk geval heel wat aangenamer!

quote

 

En jij, heb jij leuke collega’s? Zie je ze als echte vrienden?

 

(het idee van deze post kreeg ik van Samaja).

Plant, M.D.

Ik ben een plantendokter. Ik kan het niet schrijven zonder meewarig te glimlachen. Maar toch, het is zo. Toen we na twee jaar algemene wetenschappelijkheid moesten kiezen waarin we ons zouden specialiseren, werden de verschillende richtingen voorgesteld. Voor de major plantenbescherming stond daar vooraan in de aula een man, die ik niet anders kan omschrijven dan ‘grijs’. Grijs pak, grijs haar, grijs gezicht, grijs grijs grijs. Hij stond niet graag voor zo’n groot publiek, en dat was duidelijk. Hij lichtte met zachte stem toe wat de richting inhield, en vatte het samen met de woorden: Je wordt plantendokter.

 

Ik was verkocht. Plantendokter it was.

Ik heb geen spijt van die keuze, ook al doe ik er nu niets meer mee. Maar als iemand mij een zieke kamerplant onder de neus duwt, kom ik echt niet verder dan mijn meest ernstige gezicht opzetten (lijntjes in voorhoofd trekken, duim en wijsvinger langs de kin) om dan wat te gokken: witte vlieg? Grauwe schimmel? Beiden zijn overigens vrij duidelijk: er zitten witte vliegjes op, of een grijs schimmelpluis.

 

Maar ondanks mijn beperkte kennis hou ik de inhoud van mijn bloempotjes wel in leven, wat weinigen van mijn collega’s kunnen zeggen. Hun plantjes zijn meestal van de categorie ‘krokant’. Dus toen ik vertrok voor 16 maanden, zocht ik een betrouwbaar iemand waarbij de drie plantjes mijn afwezigheid zouden overleven.

 

En toen ik vorige week opnieuw op kantoor kwam, stonden er wel zeven plantjes op mij te wachten. Mijn collega had er eentje in twee gesplitst vanaf de wortel en beide delen hadden dat geweldig goed verdragen. Die actie was zelfs nog een paar keer herhaald, zodat ook op de gang nu nakomelingen van mijn plantjes stonden te pronken.

 

Dat beetje groen, dat hielp wel wat in een week waarin het vooral zoeken was. Zoeken naar orde, naar routine, naar manieren om ons alle drie op tijd fris en aangekleed te krijgen ’s morgens. Een dag achter een bureau doorbrengen, hoe moest dat ook alweer? En ons ventje achterlaten bij de crèche, wat hij niet leuk vindt, en ik nog minder, zeg nog eens waarom we dat deden? Ik vertrok wat vroeger op het werk en was zelfs een beetje nerveus om hem weer op te pikken. Hij was zo flink geweest, zeiden ze, had goed geslapen en fijn gespeeld. Drie uur later lag hij alweer te pitten. Drie uur met het zoontje dus. Het overviel me. Eén achtste van elke dag.

 

Wat wenste ik dat ik me in twee kon splitsen als dat plantje.

 

5359281_orig