De grote oversteek- de eerste dag

Bij het afronden van een hoofdstuk, zoals die verhuis van ons, heb je een lange aanloop van ‘laatste keren’. Bij ons was dat niet anders. Van de ene laatste keer, zoals de laatste keer granolabrood gaan kopen bij de enige bakker die naam waardig, of de laatste playgroup op vrijdagochtend, of de laatste keer in het favoriete speeltuintje van ons ventje, was ik me sterk bewust. Andere laatste keren waren minder genoteerd, maar lieten ergens een vaag melancholische smaak na. ’t Is gek, want over het algemeen hebben we zo veel aandacht voor de eerste keren in een mensenleven, en bij een baby lijkt elke dag wel een nieuwe, verrassende eerste keer te bevatten. Maar die laatste keren, het hield me toch wat bezig.

 

Van sommige laatste keren weet ik niet helemaal zeker of het de laatste keer is. Ik hoop dat het de laatste keer was dat we in Ijsland uitstapten met 50 minuten vertraging en meteen merkten dat de vlucht naar Brussel al aan de ‘last call’ zat. Ik hoop dat het de laatste keer is dat ik met ventje op mijn rug gebonden, een grote rugzak aan mijn borstkas, een trolley en een luiertas om mijn armen zwierend, door de luchthaven van Reykjavik rende hobbelde, op zoek naar de juiste gate. Niemand wilde ons helpen, onze namen werden al afgeroepen. Maar we haalden het. En we sliepen alle drie nog wat voor we in Brussel landden.

 

Ergens boven de Atlantische oceaan, als een tectonische breuk tussen toen en nu, ligt een lijn waar laatste keren overgaan in eerste. Ongemerkt maakten we die oversteek.

 

Het was de eerste keer dat we landden in Brussel en 11 koffers op een kar laadden. Het was de eerste keer dat we de jongste (schoon)-zus zwanger konden bewonderen in real life. Het was de eerste keer dat we het jongste petekindje ontmoetten en de eerste keer dat we smolten voor dat tandeloze lachje. Het was de eerste keer dat we thuis kwamen en dat ons huis versierd was met vlaggetjes en een kleurig spandoek. Het was de eerste keer dat we ballonnen in ons huis vonden, met boodschapjes op, dat de koelkast gevuld bleek met Belgisch lekkers en zelfs een ballenbad voor ons ventje. Het was de eerste keer dat we onze initialen in ons grasveld gemaaid vonden.

Niet minder dan vijf verschillende partijen, onafhankelijk van elkaar, bleken langs geweest te zijn om ons een fijne thuiskomst te bezorgen. Transatlantisch verhuizen werkt op je zenuwen en tijdsbesef. Zo’n ontvangst werkt op je traankanaaltjes en thuisbesef.

 

 

 

 

 

 

Vliegen met Boston dreumes

Ik schreef: ondertussen is onze happy baby 1 jaar. Maar toen ging ik denken: is-ie eigenlijk nog een baby? Vanaf wanneer ben je een peuter?

Op zo’n moment kan alleen Google helpen (of de 24-delige encyclopedie, maar die heb ik hier niet bij de hand). Blijkt dat in België kindjes ‘peuter’ worden genoemd vanaf ongeveer 1 jaar, maar de grens is niet zo duidelijk, in Nederland ben je tussen 1 en 2 jaar nog een dreumes.

Onze happy dreumes dus eventueel. Die heeft alweer de nodige airmiles verzameld. Vliegen met een baby, excuseer, een dreumes, kan de meest koelbloedige onder ons zweetpollekes bezorgen. Het wordt er immers niet gemakkelijker op: toen we naar Boston verhuisden, kon ons ventje zich zelfs nog niet omdraaien, en nu sluipt, kruipt en ‘break dancet’ hij letterlijk gaten in zijn broek.

 

Maar kijk. Het ging prima. De vlucht naar Buffalo, New York, was dan ook maar 1u en 10 minuten. Neen, hier geen extra klein riempje dat aan mijn riem moest hangen, zoals in Europa, ik kreeg de tip hem gewoon goed vast te houden. Allez dan. Nu was ik net van plan wat rond te dansen tijdens het opstijgen. Bummer.

oorkapOp de heenvlucht heeft hij de hele tijd tegen me aan geslapen, met zijn oorbeschermertjes op. Ik hield er een stijve arm en een gesmolten hart aan over.

 

Bij onze terugkeer na een heerlijke vakantie, entertainde mijnheertje de halve luchthaven. Er moest heen en weer gestapt worden, heen en weer, heen en weer. Aan het handje natuurlijk nog, dus hulp wordt met aandrang gevraagd – of hoe je je zonder woorden toch zéér duidelijk kan maken.

Er werd oogcontact gezocht met iedereen die hem interessant leek, zelfs als hij dan wel wat verlegen ging doen, als de ander dan ook effectief reageerde. Zelfs die ene man, die maar niet wilde wijken en koppig naar de grond bleef kijken, is gezwicht – daar moest hij wel een keer of vijf voor langs kruipen en dan met een scheef hoofdje zijn beminnelijkste lachje tonen (echt, showbeest, ik weet niét van wie hij het heeft).

 

Dan is het natuurlijk wel fijn – voor hem maar ook voor ons- dat Amerikanen al snel contact maken en al eens iets durven zeggen tegen een onbekende met een onbekende baby, excuseer, dreumes. Het regende ‘Hi, there’s, ‘Hello honey’s’ en ‘Good job, buddy’s.

Soms is die interactie net wat lastiger, zoals toen een medepassagier langs kwam en zei: “mefether ffdon passiehumfrandy”.

Zaten we daar met vier volwassenen, die alle vier toch een meer dan behoorlijk mondje Engels spreken, maar alle vier gaan zweren dat het dat was dat-ie zei. Verbatim. Na een herhaling (en vééééél gokken/improvisatie/helderziendheid) viel de quarter dat zijn vader indentijd brandy aan zijn tutje deed en dat hij toen wel rustig werd (de man als baby, niet de vader, vermoed ik). Tja, interessante tip, thanks but no thanks. Trouwens, tijdens de vlucht sliep ventje niet, maar  was hij ongelooflijk flink!

 

Bij de weg/by the way… dat wordt niks he, die ‘dreumes’. Mijn Boston baby mag nog even baby blijven.