Zondag zoondag #1

Goed idee, zo werken met rubrieken op je blog. Elke zondag iets vertellen over je zoon, wat kan makkelijker zijn?

Tja, soms zijn dingen zo ‘makkelijk’ dat ze moeilijk worden. Natuurlijk valt er heel wat te vertellen over onze spruit, maar waar zal ik beginnen?

Misschien bij wat hij later stoer aan zijn vriendjes zal kunnen vertellen, nl. dat hij als baby een jaar in Boston heeft gewoond. Harvard werd hem met de papfles meegegeven, nu ja, we zijn inderdaad vaak langs die gebouwen gaan wandelen…

Ons buitenlands avontuur had ook als gevolg dat hij 16 maanden was toen hij voor het eerst naar de crèche ging. Voor mij was dat heel dubbel – een peuter die vlot rond loopt afzetten, is misschien ergens makkelijker dan een klein dropje dat vooral in een stoeltje naar de wereld zit te gapen. Aan de andere kant had hij net zijn hele leven zoals hij het kende, moeten achterlaten, was hij erg eenkennig, en te jong om uit te leggen dat mama en papa hem écht wel kwamen ophalen (al vertelden we hem dit wel elke dag… 20 keer ofzo).

Het heeft wel wat aanpassen gekost, maar na een paar weken liep die crèchedag al een stuk vlotter. Het is dan ook een hele fijne crèche waar hij terecht gekomen is. Voor mij was het ook wennen, niet meer de hele dag bij hem zijn, en hij die echt een eigen leven krijgt, waar ik helemaal niets van weet.

Wat hoorden wij zo al over onze zoon?

  • Dat hij zijn armen in de lucht steekt en ‘JEEEEEEJ’ roept als er aangekondigd wordt dat er spaghetti op het menu staat
  • Dat hij altijd erg geïnteresseerd is als er dingen worden gemaakt of gedaan
  • Dat hij het niet fijn vindt als er kindjes worden afgehaald, of mensen het lokaal verlaten, tenzij hij iedereen kan uitzwaaien.
  • Dat hij dol is op creatief bezig zijn, en altijd als eerste (letterlijk)staat te springen  om te kleuren, te tekenen, te stempelen en te schilderen. Ook dansen is altijd een hit.
  • Dat zijn favoriete hobby verder vooral ‘crossen’ is, van de ene kant van het lokaal naar het andere, tot hij nat is van het zweet, zijn krulletjes alle kanten op staan, en zijn wangetjes rood aanlopen.
  • Dat hij echt al vriendjes heeft, die dan met hem mee rennen (soms hand in hand *smelt*), en als er iemand valt, dan gaat de andere ernaast liggen, roepen ze ‘boem’ en schateren ze het uit.

Het is zo fijn om te weten dat hij daar een prettige tijd heeft. Al was het een deel van het ‘loslaten’, die dingen horen. Chapeau voor alle kinderverzorgsters die erin slagen met een bende pittige peuters aan het knutselen/dansen/lezen/… te gaan – ik vermoed dat hier een meesterniveau van zen zijn mee gepaard gaat, dat ik enkel kan omschrijven als ‘bijna Boeddha’.

En wil je me nu excuseren, zoonlief vraagt me voor een toertje huppelen (of 15) rond de tafel.

instasize_0304123740

End of summer

Vorige week kreeg ik op de crèche het zomerhoedje van ons ventje mee naar huis. Het zomerhoedje dat we kregen van nieuwe vrienden in Boston.

Niet meer nodig.

Meer nog dan de kleur aan de bomen, het duister dat valt, de regen die koud werd, de hoest die blijft zitten…. deed dit hoedje me beseffen dat de zomer voorbij is.

dsc_1974

 

Plant, M.D.

Ik ben een plantendokter. Ik kan het niet schrijven zonder meewarig te glimlachen. Maar toch, het is zo. Toen we na twee jaar algemene wetenschappelijkheid moesten kiezen waarin we ons zouden specialiseren, werden de verschillende richtingen voorgesteld. Voor de major plantenbescherming stond daar vooraan in de aula een man, die ik niet anders kan omschrijven dan ‘grijs’. Grijs pak, grijs haar, grijs gezicht, grijs grijs grijs. Hij stond niet graag voor zo’n groot publiek, en dat was duidelijk. Hij lichtte met zachte stem toe wat de richting inhield, en vatte het samen met de woorden: Je wordt plantendokter.

 

Ik was verkocht. Plantendokter it was.

Ik heb geen spijt van die keuze, ook al doe ik er nu niets meer mee. Maar als iemand mij een zieke kamerplant onder de neus duwt, kom ik echt niet verder dan mijn meest ernstige gezicht opzetten (lijntjes in voorhoofd trekken, duim en wijsvinger langs de kin) om dan wat te gokken: witte vlieg? Grauwe schimmel? Beiden zijn overigens vrij duidelijk: er zitten witte vliegjes op, of een grijs schimmelpluis.

 

Maar ondanks mijn beperkte kennis hou ik de inhoud van mijn bloempotjes wel in leven, wat weinigen van mijn collega’s kunnen zeggen. Hun plantjes zijn meestal van de categorie ‘krokant’. Dus toen ik vertrok voor 16 maanden, zocht ik een betrouwbaar iemand waarbij de drie plantjes mijn afwezigheid zouden overleven.

 

En toen ik vorige week opnieuw op kantoor kwam, stonden er wel zeven plantjes op mij te wachten. Mijn collega had er eentje in twee gesplitst vanaf de wortel en beide delen hadden dat geweldig goed verdragen. Die actie was zelfs nog een paar keer herhaald, zodat ook op de gang nu nakomelingen van mijn plantjes stonden te pronken.

 

Dat beetje groen, dat hielp wel wat in een week waarin het vooral zoeken was. Zoeken naar orde, naar routine, naar manieren om ons alle drie op tijd fris en aangekleed te krijgen ’s morgens. Een dag achter een bureau doorbrengen, hoe moest dat ook alweer? En ons ventje achterlaten bij de crèche, wat hij niet leuk vindt, en ik nog minder, zeg nog eens waarom we dat deden? Ik vertrok wat vroeger op het werk en was zelfs een beetje nerveus om hem weer op te pikken. Hij was zo flink geweest, zeiden ze, had goed geslapen en fijn gespeeld. Drie uur later lag hij alweer te pitten. Drie uur met het zoontje dus. Het overviel me. Eén achtste van elke dag.

 

Wat wenste ik dat ik me in twee kon splitsen als dat plantje.

 

5359281_orig