Plant, M.D.

Ik ben een plantendokter. Ik kan het niet schrijven zonder meewarig te glimlachen. Maar toch, het is zo. Toen we na twee jaar algemene wetenschappelijkheid moesten kiezen waarin we ons zouden specialiseren, werden de verschillende richtingen voorgesteld. Voor de major plantenbescherming stond daar vooraan in de aula een man, die ik niet anders kan omschrijven dan ‘grijs’. Grijs pak, grijs haar, grijs gezicht, grijs grijs grijs. Hij stond niet graag voor zo’n groot publiek, en dat was duidelijk. Hij lichtte met zachte stem toe wat de richting inhield, en vatte het samen met de woorden: Je wordt plantendokter.

 

Ik was verkocht. Plantendokter it was.

Ik heb geen spijt van die keuze, ook al doe ik er nu niets meer mee. Maar als iemand mij een zieke kamerplant onder de neus duwt, kom ik echt niet verder dan mijn meest ernstige gezicht opzetten (lijntjes in voorhoofd trekken, duim en wijsvinger langs de kin) om dan wat te gokken: witte vlieg? Grauwe schimmel? Beiden zijn overigens vrij duidelijk: er zitten witte vliegjes op, of een grijs schimmelpluis.

 

Maar ondanks mijn beperkte kennis hou ik de inhoud van mijn bloempotjes wel in leven, wat weinigen van mijn collega’s kunnen zeggen. Hun plantjes zijn meestal van de categorie ‘krokant’. Dus toen ik vertrok voor 16 maanden, zocht ik een betrouwbaar iemand waarbij de drie plantjes mijn afwezigheid zouden overleven.

 

En toen ik vorige week opnieuw op kantoor kwam, stonden er wel zeven plantjes op mij te wachten. Mijn collega had er eentje in twee gesplitst vanaf de wortel en beide delen hadden dat geweldig goed verdragen. Die actie was zelfs nog een paar keer herhaald, zodat ook op de gang nu nakomelingen van mijn plantjes stonden te pronken.

 

Dat beetje groen, dat hielp wel wat in een week waarin het vooral zoeken was. Zoeken naar orde, naar routine, naar manieren om ons alle drie op tijd fris en aangekleed te krijgen ’s morgens. Een dag achter een bureau doorbrengen, hoe moest dat ook alweer? En ons ventje achterlaten bij de crèche, wat hij niet leuk vindt, en ik nog minder, zeg nog eens waarom we dat deden? Ik vertrok wat vroeger op het werk en was zelfs een beetje nerveus om hem weer op te pikken. Hij was zo flink geweest, zeiden ze, had goed geslapen en fijn gespeeld. Drie uur later lag hij alweer te pitten. Drie uur met het zoontje dus. Het overviel me. Eén achtste van elke dag.

 

Wat wenste ik dat ik me in twee kon splitsen als dat plantje.

 

5359281_orig

Advertenties

Amerikaanse vezels

Een jaar lang hebben wij ons enorm Belg en Vlaming gevoeld. Veel meer dan in het thuisland het geval is. Misschien omdat elke taxichauffeur wel eens vraagt waar je vandaan komt. Misschien omdat je toch wat typische dingen gaat missen. Misschien omdat je, in een zee van Amerikanen, iets speciaals hebt als Vlaamse vis. Zeker als het gesprek richting gezondheidszorg, schoolsystemen of de race naar het Witte Huis ging, voelde ik me in elke vezel behoorlijk Belg.

Nu zijn we thuis en blijkt er toch wat Amerika aan onze kleren te blijven plakken.

 

  • Na een jaar ‘plus zes’ doen, betrap ik me erop in de namiddag te denken: ‘Ik zou die persoon eens kunnen bellen, maar het is daar al bedtijd. Ah nee….toch niet’. Een unieke moment rond die situatie was ongetwijfeld toen een vriend van me, een dag eerder jarig dan ikzelf, en ik plots op hetzelfde moment jarig waren – of toch: hij was nog jarig bij ons, en ik was al jarig bij hen. Proficiat aan ons allebei!
    klok

 

 

 

 

 

  • In een wegrestaurant was ik ervan overtuigd dat ik mijn kopje koffie nog eens zou kunnen bijvullen. Dat kon inderdaad, maar natuurlijk niet gratis…
  • Wat zijn groenten en fruit toch ongelooflijk goedkoop! Het voelt als supersolden in je eigen supermarkt!
  • Aan de andere kant krijg ik op een rekening van 200 euro boodschappen, 1,14 euro korting met mijn klantenkaart. Dat is een lachertje in vergelijking met de supermarkt in Boston, waar ik makkelijk 20 dollar per karretje kon besparen.
  • Lekker brood! Je kan het eten zonder te toasten! En het kost maar 2 euro! Whoehoeeee! Ook na veertien dagen zorgt het nog voor een kleine mentale rondedans.
  • De meest gestelde vraag is ondertussen ‘maar is die winkel nog wel open’? We zijn ons pijnlijk bewust geworden dat de tijd van de heerlijke openingsuren voorbij is. Het zorgde voor een pak minder stress dat boodschappen doen nog perfect op een zondagavond 20u kon.
  • Een klantendienst die niet bereikbaar is tijdens het weekend? Maar ik heb een vraag! Nuuuuuu!
  • Het was wel fijn om te kunnen opstaan en al meteen heel wat nieuwtjes over het thuisfront te krijgen via de sociale media (aangezien daar de vriendjes en familie al wel even wakker waren – of toch de meesten!). Aan de andere kant viel er na 18 uur een stilte over onze avonden. Iedereen die we graag zagen, sliep, of zat naast ons op de zetel. Of gooide houten blokjes in mijn glas water. Dat kon ook.

Mooie liedjes

Mooie liedjes duren niet lang, wordt wel gezegd. Best wel negatief, en ergens ook vreemd – duren lelijke liedjes dan langer? Of lijken ze lelijker omdat ze langer zijn? In elk geval, ik heb het gevoel dat dat niet klopt.

 

Mijn laatste werkdag op kantoor was 25 maart 2015. Toen maakte ik mijn bureau leeg, zocht een betrouwbare ‘plantensitter’ en liet de deur achter me dichtvallen met een dubbel gevoel. Er stonden me spannende maanden te wachten. Niet alleen was ik 39 weken zwanger, in de zomer zouden we voor een jaar naar Boston verhuizen, zodat manlief daar zijn onderzoeksdromen kon gaan uitvoeren aan Harvard. Ik en kleine puk zouden meegaan, ik nam een jaar tijdskrediet, we zochten een appartement over Skype en tot zover hadden we dat eigenlijk gepland.

 

Kleine puk diende zich netjes op zijn uitgerekende datum aan. Dat puntueel zijn heeft-ie al zeker van mijn kant van de familie. Ook al was hij op zich een rustige baby met weinig problemen, ik was op 9 juli (einde van de zwangerschapsrust) toch ZO gelukkig dat ik niet opnieuw hoefde te gaan werken – dat ik een week voordien met spoed was geopereerd aan een acute appendicitis, droeg ook wel bij aan dat gevoel.

 

Het jaar Boston trok voorbij zoals te lezen valt in de +80 blogposts die hier verschenen zijn. Het was wennen, het was wel eens tandenbijten, maar het was enorm de moeite waard. Mijn labo was onze living en de speeltuin, mijn onderzoekstopic was onze zoon, en ik leefde maar al te graag als leergierige wetenschapper in the science of baby.

 

Op 16 augustus sta ik weer aan de deur die ik 16 maanden eerder liet dichtvallen. Ja, ik heb er nog steeds gemengde gevoelens bij. Maar de verhoudingen in de mengeling zijn zeker veranderd. Het wordt alweer erg wennen. Watermannen kunnen dat niet goed, blijkbaar. Ik zal mijn kleine ventje missen. Ik zal het (vrij) opgeruimde hoofd missen, misschien moet ik dat maar gaan bewaken. Maar ik heb fijne collega’s en de koffie is er ook niet slecht. Dus wie weet, misschien blijft de melodie me wel bevallen. En anders, als een mooi liedje niet lang genoeg duurt naar je zin, dan zet je toch een ander op?

 

De grote oversteek- de eerste dag

Bij het afronden van een hoofdstuk, zoals die verhuis van ons, heb je een lange aanloop van ‘laatste keren’. Bij ons was dat niet anders. Van de ene laatste keer, zoals de laatste keer granolabrood gaan kopen bij de enige bakker die naam waardig, of de laatste playgroup op vrijdagochtend, of de laatste keer in het favoriete speeltuintje van ons ventje, was ik me sterk bewust. Andere laatste keren waren minder genoteerd, maar lieten ergens een vaag melancholische smaak na. ’t Is gek, want over het algemeen hebben we zo veel aandacht voor de eerste keren in een mensenleven, en bij een baby lijkt elke dag wel een nieuwe, verrassende eerste keer te bevatten. Maar die laatste keren, het hield me toch wat bezig.

 

Van sommige laatste keren weet ik niet helemaal zeker of het de laatste keer is. Ik hoop dat het de laatste keer was dat we in Ijsland uitstapten met 50 minuten vertraging en meteen merkten dat de vlucht naar Brussel al aan de ‘last call’ zat. Ik hoop dat het de laatste keer is dat ik met ventje op mijn rug gebonden, een grote rugzak aan mijn borstkas, een trolley en een luiertas om mijn armen zwierend, door de luchthaven van Reykjavik rende hobbelde, op zoek naar de juiste gate. Niemand wilde ons helpen, onze namen werden al afgeroepen. Maar we haalden het. En we sliepen alle drie nog wat voor we in Brussel landden.

 

Ergens boven de Atlantische oceaan, als een tectonische breuk tussen toen en nu, ligt een lijn waar laatste keren overgaan in eerste. Ongemerkt maakten we die oversteek.

 

Het was de eerste keer dat we landden in Brussel en 11 koffers op een kar laadden. Het was de eerste keer dat we de jongste (schoon)-zus zwanger konden bewonderen in real life. Het was de eerste keer dat we het jongste petekindje ontmoetten en de eerste keer dat we smolten voor dat tandeloze lachje. Het was de eerste keer dat we thuis kwamen en dat ons huis versierd was met vlaggetjes en een kleurig spandoek. Het was de eerste keer dat we ballonnen in ons huis vonden, met boodschapjes op, dat de koelkast gevuld bleek met Belgisch lekkers en zelfs een ballenbad voor ons ventje. Het was de eerste keer dat we onze initialen in ons grasveld gemaaid vonden.

Niet minder dan vijf verschillende partijen, onafhankelijk van elkaar, bleken langs geweest te zijn om ons een fijne thuiskomst te bezorgen. Transatlantisch verhuizen werkt op je zenuwen en tijdsbesef. Zo’n ontvangst werkt op je traankanaaltjes en thuisbesef.

 

 

 

 

 

 

De grote oversteek- de laatste dag

Het stof is neergedaald en de bagage iet of wat gesorteerd. De jetlag is verteerd, samen met een goeie portie mosselen met frietjes, lekker brood en vers vleesbeleg, de beste chocoladekoek EVER, en véél snoep allerhande.

 

Voldoende rust en ruimte om terug te kijken naar de meest hectische dag van het jaar – tot dusver dan. 21 juli. De laatste dag in Boston.

 

Om die dag, die een week leek te duren en toch vooruit vloog als een specht op speed, te beschrijven, is één woord voldoende: CRAZY! Het is van een examenperiode in ver vervlogen tijden geleden dat ik nog zo gezweet heb van de stress.

 

We begonnen ’s morgens vroeg met het opruimen en uitzoeken. We hadden al ingezien dat we behoorlijk streng zouden moeten sorteren in kleren en speelgoed en… in alles eigenlijk, om alles in onze koffers te krijgen. Icelandair biedt aan transatlantische reizigers de optie om 2 grote koffers per persoon (tot 23 kg) mee te nemen. Wij kochten ook een stoel voor ons ventje, vooral om wat meer comfort te hebben, al zat hij op onze schoot. Met ons drietjes konden wij ons dus 6 grote koffers veroorloven. Daarbij kwamen de 3 trolleys van de handbagage. En na onze eerste schifting besloten we nog 1 extra grote koffer mee te nemen.

 

Voor alle wenkbrauwfronsers: bedenk wel dat wij àlles in te pakken hadden. Onze kleren, van zomerkleren tot de grote dikke donzen jassen die we hier hebben gekocht. Van sportschoenen tot stevige stappers tot sandalen. Lakens, dekentjes, bad- en keukenhanddoeken. Laptops, fototoestel, radiootje, en alle opladers en elektrische draden die je gemiddeld in huis hebt. Een groot deel van het speelgoed, van blokjes tot muzikale werkbankjes. Ik lijst het nu wel mooi op, maar het bleek dat ook wij dit VOL-LE-DIG onderschat hadden.

 

Maar goed, de laatste dag dus. Om 11u kwam Ursula langs, een kennis van me, die zo vriendelijk was ons haar hulp en auto aan te bieden voor de laatste verhuis. Want hoewel manlief het vorige weekend het grootste deel van de meubels uit elkaar had gevezen en naar onze gehuurde opslagruimte had gebracht, waren er toch die laatste spulletjes, waarmee we de voorbije dagen hadden gekampeerd: twee opklapstoelen, wat potten en pannen, een dun matrasje, één lampje… het nam nog behoorlijk wat plaats in. Om concreet te zijn: 95% van de vrije ruimte in haar auto. Met de stofzuiger op mijn schoot reden we naar de opslagplaats. Daar was ik o-zo-blij met de uren die ik vroeger aan Tetris heb verspeeld, want we kregen er alles nét in. Ook de fles champagne die we aan onze Deense kopers lieten om hen te verwelkomen in de stad die ons een jaar een thuis bood. (Dat was ook een pragmatische zet, als ik eerlijk mag zijn. Vreemd hoeveel flessen drank je krijgt op een afscheidsfeestje, terwijl het toch duidelijk is dat die niet mee over de plas gaan en wij de laatste dagen in Boston niet wilden doorbrengen in een staat van permanent delirium).

Na een stop in een supermarkt, startte Ursula’s auto niet meer. Gezien de to-do-lijst van de dag, zat er niets anders op dan afscheid nemen op de parking en te voet naar huis wandelen. Waar Het Grote Inpakken kon beginnen. Eitje, volgens manlief. Alles lag immers al òp de koffers. Alleen raakten die niet snel dicht. Wat volgde, was een urenlange dans van inpakken, uithalen, proppen, afwegen, wegleggen, …het leek eindeloos. Steeds meer spullen belandden op de ‘hier laten’-stapel. En nog geraakten de koffers niet dicht. Ondertussen diende ons ventje natuurlijk ook geëntertained te worden, want hij vond het allemaal maar raar en wilde liever rondlopen dan op een koffer zitten. De temperatuur rees met de wijzers van de klok, letterlijk en figuurlijk.

 

Ik moest het geleende reisbedje nog terugbrengen naar een kennis, en nam een Uber om er sneller te geraken. De modem moest nog terug naar de winkel, maar de overbuurvrouw bood aan dit in orde te brengen. Ja, enter onze overbuurvrouw, Maleia. Onze reddende engel.

 

Maleia’s verhaal is lang en aangrijpend. Kort gezegd: zij verhuisde een halve week voor onze laatste dag naar het appartement tegenover ons, en had meubels nodig. Jammer dus dat wij haar alleen nog maar onze zetel konden verkopen, want die verhuis naar de andere kant van de gang was nét iets makkelijker. Zij blijft een jaar in Boston, om met haar jongste dochtertje van 7 maanden dichter bij het kinderziekenhuis te zijn. Want Caroline heeft een potentieel dodelijke aandoening, die twee jaar geleden ook al het leven kostte van haar broertje.

 

En toch was Maleia een vrolijke, lieve vrouw, die aanbood ons vuilnis weg te brengen, de achtergelaten kleren te sorteren en weg te geven, en zelfs – omdat we in complete tijdsnood raakten- de koelkast leeg te maken. Ze hield zich bezig met ventje toen wij rond 17u steeds driester dingen uit onze stapels begonnen te trekken om achter te laten, meer en meer overtuigd dat we dat vliegtuig nooit zouden halen. Dat onze chauffeur die we op voorhand hadden geregeld, en die ons om 17u45 zou ophalen, om 17u40 sms’te dat hij een platte band had, hielp hoegenaamd NIET. Maar Maleia bleef rustig en verzekerde ons dat zij alles zou regelen, wat wij niet geregeld hadden gekregen. Ik vond het vreselijk om ons appartement in zo’n staat van chaos achter te laten, ik kon wel janken, maar er zat niets anders op. Maleia krijgt nog een gigantisch pak Belgische chocolade opgestuurd als bedankje.

 

We hadden uiteindelijk twee taxi’s nodig om onze berg spullen naar de luchthaven te krijgen. Die berg? Zeven grote valiezen, vier handbagage trolleys, twee rugzakken, een grote luiertas, een buggy en een autostoel. Ik zat alleen in de tweede taxi en stortte mijn hart uit bij de vrouwelijke chauffeur. Ik had een half uur tot aan de luchthaven om te stoppen met trillen.

bagage

Dat bleek voldoende. Een vriendelijk klapke met de dame aan de incheckbalie en een lachje van ons ventje, en we moesten maar voor één extra koffer betalen (de extra trolley werd door de vingers gezien). We raakten vlot door de security, konden zelfs nog een pizzaatje eten en stapten gepakt en gezakt op het vliegtuig. Dat half uur vertraging kon me zelfs al niet meer schelen. We hadden het gehaald. Wat we achterlieten, zijn maar spullen. Spullen zijn te vervangen. Herinneringen niet. En die zijn ongelimiteerd mee te nemen.

 

De Boston skyline is heel mooi, ook ’s nachts. Ik keek uit het raampje, dan naar manlief. Dat was het dan, lieve schat. Wat een crazy dag. Wat een crazy jaar. Maar wat een avontuur.

 

In de krant – deel 2

Terwijl ik de hele verhuis en reis naar huis nog aan het verteren ben – een noodzakelijke stap voor erover geschreven kan worden – heb ik het lijstje waarover Amerikanen zich in Europa verbazen, verder aangevuld. Deel 1 met de puntjes 1 t.e.m. 6 vind je hier.

 

7. Wij moeten wachten op onze rekening. Soms moeten we zelfs opstaan om ze te gaan vragen

Dat is waar, ik ben in België al een paar keer moeten overgaan tot de ‘kijk-ik-doe –mijn-jas-aan-pas-op-ik-wandel-naar-de-deur’-truc om de rekening te krijgen. In Amerika ligt die al op tafel wanneer ze het dessert brengen. Nee, er wordt niet gevraagd of je nog een koffietje wenst. Misschien omdat ze dan weer gratis refills moeten geven?

 8. Onze melk staat uit de koelkast en toch worden we niet ziek

Hier had ik helemaal niet bij stilgestaan, tot de Amerikaanse vriendin met de nodige argwaan vroeg of wij inderdaad melk gewoon in de kast lieten staan. Mijn eerste reactie was dat de bus echt wel in de frigo staat, maar toen besefte ik dat de voorraad inderdaad gewoon twee maanden in de garage kan vertoeven. Het blijkt aan het verschil te liggen tussen de Amerikaanse pasteurisatie en de Europese UHT. Tussen twee haakjes, zowel manlief als ikzelf werden lactose-intolerant in Boston. Ik dacht nog dat het aan de zwangerschap lag, maar dat zoiets ook besmettelijk zou zijn, leek me sterk. We wijten het dan ook aan de andere behandeling van melkproducten, en kopen braafjes lastosevrije melk en yoghurt, om niet verder bij te dragen aan het broeikaseffect.

9. We mogen vloeken op de radio

En ‘shit’ hoeven we niet ‘the S-word’ te noemen.

10. We hebben ongelooflijk veel betaald verlof

Een gemiddelde Amerikaan moet het rooien met 10 dagen, ofte twee miezerige weekjes per jaar. Het is dan ook niet gek dat ze nog niet veel van de wereld hebben gezien. Of Europa ‘willen doen’ op tien dagen. Zwangerschapsverlof is trouwens niet federaal geregeld, elk bedrijf mag er zelf over beslissen. Het minimum is acht weken, onbetaald. Maar, zo vertelde een Amerikaanse me, toen ze mijn verbaasde smoel zag, je krijgt dan wel je job terug als je opnieuw start, hoor. OOOOOHhhhh, maar dan is het goed! Hartelijk bedankt!

11. Sommige mensen hebben geen auto

Dit punt moet ook plaatsafhankelijk zijn – in Boston is het eigenlijk logisch dat je geen auto hebt. Om te beginnen is de verzekering enorm duur, is er amper parkeerplaats en kost een uurtje parkeren in de stad zo maar eventjes 25 dollar. En als we er niet geraakten met het degelijke openbare vervoer, huurden we een auto voor een paar uurtjes.

 

12. Bijna iedereen weet hoe zijn oven werkt

… en gebruikt die dus niet enkel om nog wat spullen in te bewaren. Een andere trend duikt dan weer wel op, nl. een ‘soevit’. Jaja, ik heb het drie keer gevraagd, het bleef klinken als ‘soevit’. Tot ik het zag, en begreep dat het om een ‘sous-vide’ ging, een warmwaterbad, zodat je je vlees zachtjes tot perfectie kan laten garen. Het is nu even hip, maar heel ver gaat die keukengekte niet. In een land waar ‘zelfgemaakt’ betekent dat je zelf het pakje hebt opengeknipt, mag het niet verbazen dat de meesten nog nooit een staafmixer ‘in ’t echt’ gezien hadden. Ze komen daar dan ook zelden voor in het wild.